Arthur Lehning

(1899-2000)
Hij werd geboren op het einde van de negentiende eeuw en stierf op de eerste dag van de eenentwintigste: Arthur Lehning. Op honderdjarige leeftijd mocht hij de prestigieuze P.C. Hooft-prijs in ontvangst nemen. Volgens de jury maakten zijn tegendraadsheid, zijn beginselvastheid en zijn historische intuïtie hem tot ‘een eminente getuige van de twintigste eeuw.’
Vervaardigd 1967
Techniek Olieverf op doek
Afmetingen 82 x 62 cm

Arthur Lehning

door Jan Goeting (1918-1984)

Arthur Lehning was bevriend met H. Marsman, J. Slauerhoff en Piet Mondriaan. Hij was van 1927-1929 hoofdredacteur van het door hemzelf opgerichte tijdschrift i-10, waaraan de internationale avant-garde meewerkte. Hij schreef vooral beschouwingen over sociale en maatschappelijke vraagstukken, maar ook opstellen over Tolstoi, Herman Gorter en zijn vrienden Marsman en Slauerhoff.

Mogelijk staat de A op dit portret uit 1967 voor het anarchisme. In zijn jonge jaren had Lehning colleges gevolgd in Berlijn, waar hij belangrijke Russische anarchisten leerde kennen. Ook zelf was hij overtuigd anarchist en lange tijd actief in de internationale arbeidersbeweging. Van 1927-1934 nam hij deel aan de Internationale Antimilitaristische Kommissie. En in de jaren dertig werkte hij in Spanje voor de Internationale Arbeiders Associatie. Hij schreef daarover De Spaansche Revolutie (1932) en – veel later – Spaans dagboek (1997), een keuze uit zijn dagboeken tijdens de Spaanse Burgeroorlog. In zijn werk zijn de afkeer van alle totalitaire ideologieën, van religie, van sociaaldemocraten en van het geloof in 'de markt' terugkerende thema’s.

De Haagse schilder Jan Goeting maakte meerdere portretten van Lehning, waarvan er een in 1977 te zien in de groepstentoonstelling over Goeting, zijn vrouw Catharina Goeting-Stultiëns en hun zoon Joep. Dat portret, in dezelfde stijl als dit werk, waarop verwezen wordt naar Lehnings internationale avant-gardetijdschrift i-10. Goeting, wiens werk vaak wordt gekenmerkt door een sterk spel vlakken en kleuren, stond bekend als portretschilder en portretteerde veel vooraanstaande personen, onder wie Prinses Beatrix. De Provinciale Zeeuwse Courant stelde in 1977 dat Goeting ’zijn’ mensen heel direct of bij wijze van aanduiding in een omgeving zette die men als de ‘hunne’ herkend. ‘Er zijn zo strek meespelende elementen die (minstens) een deel van leven en werken van de geprofiteerde bepalen’.

Vervaardigd circa 1962
Techniek Olieverf op doek
Afmetingen 75 x 62 cm

Arthur Lehning

door Joop Sjollema (1900-1990)

Joop Sjollema was een bekend graficus en portrettist. Hij had een eigen stijl en sloot zich niet aan bij kunstenaarsgroepen, wat wel tot gevolg had dat hij maar weinig exposeerde. Als hij in 1971 een overzichtstentoonstelling in Arti heeft, ziet De Telegraaf in Sjollema’s een zeker dualisme. ‘Aan de ene kant zoekt hij een rake impressie, maar tegelijk wil hij het mooie gelijkende portret vermijden’. Daarbij is Sjollema, volgens de krant, eigenzinnig. ‘Vandaar de vaak onbegrijpelijke expressieve accenten op plaatsen waar ze niet horen en ze de compositie verstoren.’ Het was, kortom, niet de tijd voor figuratieve kunst. Sjollema liet zich niet ontmoedigen en richtte, met mecenas Henriette Polak-Schwarz, in 1975 Museum Henriette Polak op, speciaal voor de Nederlandse figuratieve kunst.

Sjollema had een open persoonlijkheid en bouwde in zijn leven een groot sociaal netwerk binnen de kunstwereld op. Daarbij was hij bevriend met schrijvers als Theun de Vries, Jan Engelman, M. Nijhof en ook Arthur Lehning. Toen dit portret begin jaren zestig werd gemaakt, waren Sjollema en Lehning buren aan de Amsterdamse Amstel. Het portret hing jaren bij de schrijver in huis, maar onverwachts kwam Sjollema het op een dag halen. Het was aangekocht door het Literatuurmuseum, alleen vertelde hij dat er niet bij.

Sjollema was niet politiek geïnteresseerd, anders dan bijvoorbeeld Theun de Vries en Lehning, die  overtuigd anarchist en actief in de internationale arbeidersbeweging, was. Wel koos hij ervoor om schuin achter Lehning het hoofd van de Russische anarchist Michail Bakoenin te schilderen. Lehning raakte onder invloed van diens geschriften en g vertaalde en redigeerde vanaf de vroege jaren zestig Bakoenins verzameld werk.