Bernard Canter

(1871-1956)

In 1949 verbaast F. Bordewijk zich erover dat Kalverstraat van Bernard Canter vergeten is. Onterecht, vindt hij, het is ‘een voortreffelijke schildering van Amsterdamse confectiewinkeliers van hoog tot laag, een brok leven ook waarin iets “gebeurt”’. Naast deze en andere romans schreef Canter schetsen, verzen, veel journalistiek werk en ook enkele toneelstukken, in de sfeer van Herman Heijermans: sterk sociaal bewogen. Maar anders dan Heijermans kreeg Canter zijn toneelstukken nauwelijks opgevoerd. Het gebrek aan waardering stemde hem bitter.

Vervaardigd circa 1920
Techniek Olieverf op doek
Afmetingen 60 x 50 cm

Bernard Canter

door David Bautz (1884-1954)

Als Bernard Canter 17 is, schrijft hij zijn eerste literaire kritieken in De Amsterdammer en dankzij de bemiddeling van schrijver W.A. Paap, op wiens advocatenkantoor hij een tijdje als klerk werkzaam is, publiceert hij in De Nieuwe Gids poëzie. Uit zijn prozadebuut Bleek Mietje blijkt duidelijk een sociale bewogenheid.

Canters idealistische socialisme spreekt met name uit zijn journalistiek werk. Hij gaat als visser onder de vissers mee en verwerkt zijn reportages over de misstanden op de haringvloot tot het boek Een dromer ter haringsvangst. Overigens inspireert dit zijn vriend – en in Berlijn ooit huisgenoot – Herman Heijermans tot het beroemde Op hoop van zegen, waarna Canter hem van plagiaat beschuldigt en met hem breekt. In 1900 trekt Canter, vermomd als bedelaar, door Den Haag. Met zijn verhaal ‘van binnenuit’ – Twee weken bedelaar – introduceert hij een nieuw genre: de sociale reportage.

Behalve schrijver en journalist is Canter ontwerper van kinderspeelgoed en huishoudelijke artikelen, en schilder van werk dat hij zelf omschrijft als ‘rhytmisch pointilisme’. Bovendien is hij enige tijd artistiek leider van de NV Kunsthandel Protector waar hij onder meer David Bautz, de maker van dit portret, laat exposeren. Blijkbaar geeft hij hoog van hem op. Een beetje te hoog wellicht, zoals in 1912 een artikel in Algemeen Handelsblad valt te lezen. In een voorrede van een catalogus heeft Canter volgens de krant ‘een geestdriftige gekleurde karakteristiek van den talentvollen jongen schilder Bautz’ geschreven. Maar volgens de schrijver van het artikel zijn vriendschap en bewondering ‘geen eminente critische raadgevers’ en is het hem totaal niet duidelijk waartoe Canters voorrede dient, de kunst van Bautz is mans genoeg ‘om geen literaire bescherming te behoeven’. Bautz zal met zijn kunst diverse onderscheidingen krijgen, waaronder in 1915 een gouden medaille op de internationale kunsttentoonstelling te San Francisco.