Boudewijn Büch

(1948-2002)
Met de autobiografische roman De kleine blonde dood brak Boudewijn Büch halverwege de jaren tachtig door als schrijver. En met de ontdekking dat de meest dramatische aspecten aan dat boek niet op waarheid berustten, begon de reputatie weer af te brokkelen.
Vervaardigd 2007
Techniek Acrylverf en inkt op doek
Afmetingen 100 x 100 cm

Boudewijn Büch ’n Rolling Stone

door Marjolein Innemée (1969)

Boudewijn Büch had vele fascinaties, variërend van Johann Wolfgang von Goethe en kostbare bibliofiele uitgaven tot onbewoonde eilanden in de Pacific én Mick Jagger, zanger van The Rolling Stones. Hij schreef erover in kranten en tijdschriften en vertelde er hartstochtelijk over op tv.

Schilder Marjolein Innemée maakte dit portret na Büchs dood voor de nieuwe Openbare Bibliotheek van Amsterdam, in haar serie van tien Nederlandse schrijvers. Ze baseerde zich op een foto uit de reeks die zijn goede vriend Leo van Maris in 1976 van Büch maakte. Met zijn schouderlange haar en leren jas deed hij ontzettend zijn best op zijn grote idool Jagger te lijken. Toen Innemée hem zag in de gedaante van Jagger wist ze meteen dat ze hem zo wilde schilderen.

In 1970 bezocht Büch zijn eerste Rolling Stones-concert in de Amsterdamse RAI, dat diepe indruk maakte. Hij vertelde vrienden weliswaar dat hij zes jaar eerder al bij het roemruchte Stonesconcert in het Scheveningse Kurhaus was, maar dat bleek een kleine geschiedvervalsing. Eén keer ontmoette Büch Mick Jagger. November 1987 kon hij zijn held voor de Nederlandse televisie spreken. Een kwartier duurde het onderhoud in het Amstel Hotel. De bloednerveuze Büch vroeg de zanger waarom hij nooit had geantwoord op de acht smachtende brieven die hij hem als puber in de jaren zestig had geschreven. Een jaar later verscheen zijn roman Brieven aan Mick Jagger.

Hoewel Büch niet altijd even enthousiast bleef over het ‘allergeniaalste muziekgroepje op aarde’, dat volgens hem op de lp Some Girls ‘bejaardenseks op de gitaar beoefent’, verliest Mick Jagger nooit zijn bekoring. Hij bleef voor Büch de ‘gevallen engel’ uit de zwarte romantiek van zijn andere idool, de Franse dichter Rimbaud.

Vervaardigd 1967
Techniek Olieverf op doek
Afmetingen 92 x 67 cm

Boudewijn Büch

door Willem Schrofer 1898-1968

Toen Willem Schrofer hem in 1967 portretteerde, was Boudewijn Büch (eigenlijk Buch, zonder umlaut) net scholier-af. Zijn literaire loopbaan moest nog helemaal beginnen. Schrofer was een bekende Hagenaar: tot 1963 was hij docent aan de Haagse kunstacademie geweest en hij was medeoprichter van kunstenaarsgroep Verve. Zijn atelier was een ontmoetingsplaats voor kunstenaars, ontwerpers en schrijvers. Büch kan er zijn geïntroduceerd door zijn artistieke vrienden of door zijn oud-docent tekenen, de verleidelijke Marianne Verweij, met wie hij jarenlang een intensief contact zou onderhouden.

In 1968 was Büch eindelijk ‘cum laude met negens en één tien na zeven jaar van die pest-ulo geslaagd’. Dat was nadat hij van het Leidse Bonaventuracollege was getrapt. Hij was superieur begaafd en een eigenzinnig autodidact, en dat maakte hem op school onhandelbaar. Met het diploma op zak verhuisde hij van zijn ouderlijk huis in Wassenaar naar Leiden, waar hij aan zijn MO-akte Nederlands begon. Al in zijn schooltijd schreef hij gedichten en zijn grote en grillige talent was toen voor velen al zichtbaar.

In 1981 debuteerde Büch met de roman De blauwe salon en een paar jaar later brak hij door met De kleine blonde dood, een roman over de dood van zijn gefingeerde zoontje Mickey. Centraal in zijn oeuvre als romanschrijver staan zijn hardvochtige vader en de moeizame familieverhoudingen. Naast schrijver was Büch een gedreven bibliofiel, verzamelaar, eilandenfanaat en tv-persoonlijkheid. Misschien wordt hij niet beschouwd als Groot Schrijver, maar niettemin wist hij met zijn ongebreidelde enthousiasme bij een breed publiek de interesse voor literatuur nieuw leven in te blazen.

Vervaardigd 1986
Techniek Acrylverf op doek
Afmetingen 45 x 35

Boudewijn Büch

door Guillaume Nouwen (1927-2013)

Van de umlaut op zijn achternaam en de dubbele universitaire titel op zijn briefpapier tot de tragische dood van zijn nooit bestaande kind. Als Boudewijn Büch in 2002 onverwacht overlijdt, wordt hij in de meeste postume beschouwingen afgerekend op het feit dat hij zijn hele leven bij elkaar had verzonnen, zo merkte biograaf Eva Rovers op in artikel van Goede papieren, het tijdschrift van het Literatuurmuseum. Weinig aandacht was er voor Büch de schrijver, noch voor zijn prestaties als inspirator die geen respect toonde voor grenzen tussen hoge en lage cultuur.

In het jaar dat Guillaume Nouwen dit portret van Büch maakte, 1986, was de schrijver net doorgebroken met De kleine blonde dood, op tv is hij dan al een paar jaar te zien met zijn boekenprogramma Büchs boeken, waarin hij een half uur lang boeken besprak, schrijvers interviewde en boektitels uitbeeldde. Nouwen, die op latere leeftijd was begonnen met schilderen en vooral stillevens maakte, vond Büch een interessante kop hebben. Ook al was Nouwen niet per se fervent aanhanger van Büchs werk, de schrijver intrigeerde hem.

Na 1986 zou Büchs ster tot nog grotere hoogte stijgen. Vanaf 1988 maakte hij het tv-reisprogramma De wereld van Boudewijn Büch. Hij werd op handen gedragen, maar gelukkig was hij niet. Hij voelde zich, aldus Rovers, een clown die op ieder gewenst moment zijn kunstje kon doen. Daarmee onderschatte hij zichzelf. In het archief van het Literatuurmuseum zijn drie dozen te vinden vol steunbetuigingen die na zijn dood uit het hele land binnenstroomden, waaruit blijkt hoe Büch mensen wist te interesseren voor moeilijke onderwerpen: ‘je enthousiasme was heel bijzonder en onvergetelijk. We mochten daardoor kennismaken met schrijvers en hun leven, waar we eerder nooit van gehoord hadden.’