Ernst Groenevelt

(1887-1955)
Vernietigend is H. Marsman in 1921 over de bundel De narcis van Ernst Groenevelt. ‘Hij is een niets, een der talloze nietsen, die Holland herbergt en schrijven laat.’ Hij kan het nauwelijks bevatten dat Groenevelt een van de oprichters van Het Getij is, het literair maandblad waarin de jonge avant-garde pleitte voor vernieuwing en expressionisme en waarin zij zich afzetten tegen de in hun ogen al te rustige literatuur van hun voorgangers.
Vervaardigd ongedateerd
Techniek Gemengde technieken op paneel
Afmetingen 65 x 54 cm

Ernst Groenevelt

door H. Kroese (leefjaren onbekend)

‘Vandaag hebben we een droeve plicht vervuld. Wij hebben goede collega, een goed journalist, en een best mens ten grave gedragen’, schrijft de Haagsche Courant op 17 augustus 1955 naar aanleiding van het plotselinge overlijden van Ernst Groenevelt. Groenevelt verzorgde voor deze krant onder meer de rubriek ‘Dagboek van een Hagenaar’, waarin hij zich een scherp opmerker met een milde humor toonde. ‘Hij was gaarne tot prijzen bereid, zijn critiek nooit zonder de glimlach van het begrip der menselijke zwakheden. Zijn collega’s waardeerden deze breedheid van visie en beoordeling in hem’, aldus Het Vaderland.

Hoewel Groenevelts naam nu bij weinigen nog een belletje doet rinkelen, besteedden indertijd vrijwel alle kranten aandacht aan zijn begrafenis. Deze geschiedde in alle stilte en eenvoud, zonder enig vertoon en zonder toespraken. Precies zoals hij het gewild had. Niettemin waren tal van vrienden, schrijvers en journalisten gekomen om hem een laatste, woordeloze groet te brengen.

Groenevelt – opgeleid tot notaris – was rond 1925 in de (beschouwende) journalistiek gerold, na enige tijd als rentmeester op onder meer Nijenrode werkzaam te zijn geweest. Tien jaar eerder had hij al met Constant van Wessem Het Getij opgericht, waaraan onder meer M. Nijhoff, C.J. Kelk, Hendrik de Vries en J. Slauerhoff meewerkten. Zelf was Groenevelt in 1916 als dichter gedebuteerd met de bundel Langs velden en wegen. Hij publiceerde nog enkele bundels, en in 1924 – onder het pseudoniem Karel Winter - de roman Wisselingen, maar daarna publiceerde hij vooral journalistiek werk.

‘Van niemand kan worden gezegd dat hij onmisbaar is. Wel dat een man als Groenevelt door zijn bijzondere, eigen stijl moeilijk is te vervangen’, zo meent Het Vaderland.