Freek van Leeuwen

(1905-1968)

‘Proletarisch dichter’, fabrieksarbeider en beeldend kunstenaar Freek van Leeuwen schreef sociaal geëngageerde gedichten over wereldcrisis en werkloosheid. ‘Hij lijdt aan de eenzaamheid van het leven,’ schreef Henriette Roland Holst, ‘in hem is een ongestild verlangen, een heimwee naar makkerschap. Zijn verzet is vooral gericht tegen de geest van tijd en samenleving.’

Vervaardigd 1942
Techniek Olieverf op jute
Afmetingen 92 x 62 cm

Freek van Leeuwen

door Kees van Ameijden (1907-1992)

‘In het bijzonder geslaagde schilderij, de portretstudie Freek van Leeuwen, van den jongen Rotterdamschen schilder Kees van Ameijden leeft meer van dit uiterst gewoon-buitengewone, dan ik vermag te zeggen’, schrijft journalist, dichter, romancier Max Kijzer in een ongepubliceerde lezing van circa 1942 over dit portret. ‘Hij is daar afgebeeld in zijn eenvoudige blauwe werktrui, één hand als steunsel onder de kin, de andere hand achteloos op de knie’. Volgens Kijzer is het hele schilderij ‘omwaasd met het onzegbaar fijne’, dat ook uit zijn poëzie spreekt. ‘Hier ziet ge den schepper van de apostelverzen uit de bundel “Wederkomst” […], in de nuancen waar het op aan komt, volkomen voor U’.

Net als Van Leeuwen was ook Kijzer geportretteerd door Van Ameijden, dat portret is echter verloren gegaan. Ze kenden elkaar van de kring kunstenaars en kunstminnenden die aan het begin van de Tweede Wereldoorlog elke zaterdagavond te Rotterdam bijeenkwam, in het huis van seksuoloog Jaap Kijzer (de broer van Max). Ook Anna Blaman, C. Buddingh’ en Alfred Kossmann waren hier regelmatig te gast. Tijdens deze illegale avonden werd over politiek gesproken, voorgelezen uit eigen werk, geluisterd naar voordrachten en muziek.

Van Ameijden schilderde het portret op jute, gesneden uit een jutezak. Hoewel het een praktische keuze was, voortkomend uit gebrek aan linnen, ondersteunt het medium Van Leeuwens arbeiderskarakter. De revolutionair-socialistisch dichter was in 1930 – met Jef Last, Jac. van Hattum en Klaas Smelik – een van de oprichters van het Rotterdamse Arbeiders-Schrijverscollectief Links Richten, die zich als volgt tot de nieuwe generatie richtte: ‘Kameraden, de tijd is rijp, de burgerlijke literatuur sterft aan haar eigen rotheid, het proletariaat hunkert naar beter voedsel. Alle arbeiders en alle jonge auteurs die bereid zijn zich aan de proletarische discipline te onderwerpen, zijn welkom.’