Garmt Stuiveling

(1907-1985)
C. Buddingh’ schreef op hem het grafschrift: ‘Het leven is blijvend verarmd, want hier ligt Stuiveling, Garmt’. Stuiveling debuteerde als dichter, maar verwierf vooral bekendheid als literatuurhistoricus. Hij speelde een aanzienlijke rol in het maatschappelijk leven, na zijn emeritaat was hij voorzitter van meer dan 25 instellingen. Hij was een geboren docent en begenadigd spreker, en is van  grote betekenis geweest voor het literair-historisch onderzoek.
Vervaardigd 1955
Techniek Olieverf op doek
Afmetingen 115 x 90 cm

Garmt Stuiveling

door Jo Voskuil (1897-1972)

In de jaren twintig vertrok Jo Voskuil naar Bergen aan Zee, waar hij zich volledig aan de kunst wijdde. Hij was communist en maakte politieke affiches en boekomslagen, zoals die van de Nieuwe Geïllustreerde Wereldgeschiedenis, onder redactie van Jan Romein. In de Tweede Wereldoorlog zat hij in het verzet en sloot hij zich aan bij het illegale blad De Vrije Kunstenaar.

In het Algemeen Handelsblad van 16 mei 1955 staat te lezen: ‘Burgemeester d’Ailly behoorde met mr P. Mijksenaar en vooraanstaande letterkundigen zoals Victor E. van Vriesland, Anthonie Donker en Garmt Stuiveling tot de vele gasten op de vernissage van J.J. Voskuils eerste expositie in zijn nieuwe atelierwoning aan de Sarphatiestaat, dicht bij het klotsende water van de oude Amstel.’ Twee weken lang zullen Voskuils werken te zien zijn in zijn nieuwe onderkomen, ‘waar nu ook het portret van prof. dr G. Stuiveling zijn voltooiing nadert’.

Hoe Voskuil en Stuiveling elkaar kennen is niet bekend, wellicht via de links-politieke kringen. Zo was Stuiveling betrokken bij de sociaaldemocratische beweging en zat hij in deze periode voor de PvdA in de gemeenteraad van Hilversum. Ook is niet bekend waarom Voskuil dit portret maakte. Maar Stuivelings ster was in de jaren vijftig tot grote hoogte gerezen. Hij publiceerde tal van studies en tekstedities over onder meer Bredero, Multatuli en De Tachtigers, en stelde vele bloemlezingen samen. Sinds 1950 was hij hoogleraar taalbeheersing aan de universiteit van Amsterdam – in 1956 wordt hij ook hoogleraar Nederlandse letterkunde – en hij bekleedde vooraanstaande posities in tal van organisaties, instellingen en verenigingen. In 1954 was hij een van de oprichters van het Literatuurmuseum.