Hanny Alders

(1946-2010)
‘Spannende ridderromans vol moord en doodslag, overspel, ketterij en brandstapels,’ zo karakteriseerde journalist Peter Brusse het werk van Hanny Alders. ‘Haar helden waren stoere mannen, strijdend tegen onrecht; nobel, maar verre van heilig. De verhalen over de Katharen en kruisvaarders waren soms zo levensecht dat haar uitgever eens vroeg of zij er misschien in een vorig leven zelf bij was geweest. Zij achtte het niet onmogelijk.’ Voor haar debuut Non Nobis (1987), over de ondergang van de Tempeliers, kreeg ze de Gouden Ezelsoor, de prijs voor het best verkochte literaire debuut.
Vervaardigd 2011
Techniek Acrylverf op doek
Afmetingen 50 x 40,5 cm

Hanny Alders

door Anneke Hemelrijk (1948)

Kunstenares en docent beeldende vorming Anneke Hemelrijk maakte dit postume portret in opdracht van Alders’ man Bob. Ze heeft Hanny Alders zelf gekend, in de eerste plaats via Het Kaas- en Broodvolk, een zeskoppig gezelschap dat onder Alders’ leiding muziek speelde uit de middeleeuwen en renaissance. Alders speelde op een zelfgebouwde kromhoorn en dulcimer en schreef de muziek en de teksten op basis van jarenlang onderzoek, o.a. naar de twaalfde-eeuwse Occitaanse dichter Marcabru. Ze publiceerde in 1992 over hem de ‘vie romancee’ Marcabru – troubadour, huursoldaat en vrouwenhater en in haar reisboek In het spoor van de troubadour volgt ze zijn weg van Aquitanië naar de Pyreneeën en Zaragoza. Alders wil in dit boek in de eerste plaats het bestaande romantische beeld van de troubadour bijstellen, het beeld van de zanger met de luit of de draailier op zijn buik klopt bijvoorbeeld al niet en ‘rondzwerven was in de middeleeuwen helemaal niet zo romantisch’. Bovendien waren de meeste troubadours van adel en hadden ze een vaste plaats aan het hof.

In NRC Handelsblad vertelde Alders in 2002 over haar fascinatie voor het middeleeuwse Spanje: ‘Het is de oertijd van de maatschappij zoals we die hier nu kennen’. Volgens haar zijn vormen van Europa toen zo’n beetje bepaald, de wetgeving, de normen en waarden, de literatuur en de westerse opvatting van de liefde dateren uit die tijd. ‘En ik zoek vaak naar de dissidenten in die geschiedenis, de lui die de moed hebben opgebracht om in verzet te komen tegen het gezag’. Ze denkt dat dit komt omdat die lijn zo goed is door te trekken naar het heden. ‘Zulke mensen bestaan nog steeds en het bloedige geweld is ook niet verdwenen. Alleen de wapens zijn veranderd.’