Hans Verhagen

(1939)

Hans Verhagen heeft in zijn leven vele carrières weten te proppen. Hij is tv-maker, journalist, schilder, en ook nog eens een dichter die meerdere karakters in zich heeft verenigd. Een van de belangrijkste stemmen uit de jaren zestig bovendien, met weerklank tot in het heden.

Vervaardigd 2009
Techniek Acryl op doek
Afmetingen 95 x 85 cm

Zelfportret

door Hans Verhagen (1939)

Er zit in dit latere zelfportret, het stamt uit 2009, een merkwaardige tegenstelling: Verhagen heeft zich bijna jeugdig afgebeeld, heel basaal, bijna naïef. Er zijn wat vrolijk gekleurde strepen die de kijker vermoedelijk met de kleren kan associëren. Maar de achtergrond is vrijwel inktzwart.

Het past bij de poëzie die hij in de herfst van zijn carrière schrijft. Zijn betrokkenheid bij de wereld wordt steeds explicieter. Zo schetst Verhagen in deze periode een aardedonker beeld van een wereld vol ‘rijke kooplieden / en draaideurcriminelen (allebei stelen)’, van een NS-medewerker die hij ervan verdenkt te dromen ‘dattie, bij verstek van de ss, / daklozen castreren mag bij de spoorwegpolitie’. Dit is een wereld waarin ‘Snoezig geglaceerde baby’s worden vetgemest / en vervolgens zwaar bewapend / voor een nobel en misdadig universeel streven ingezet’, in één woord, een ‘kankermaatschappij’ (alles uit de bundel Draak, 2006).

Maar Verhagen blijft zoeken naar die andere wereld, de wereld van de schoonheid, bezieling en het hogere. Want er is altijd de wereld geweest van liefde, romantiek en vrijheid, al komt de werkelijkheid daar steeds scherper tegenover te staan. De balans lijkt in de latere bundels door te slaan naar het aardse, maar dat is tegen de zin van de dichter, die de romantiek nooit uit het oog wil verliezen.

Vervaardigd 1986
Techniek Olieverf op papier
Afmetingen 105 x 75 cm

Zelfportret

door Hans Verhagen (1939)

Voor Hans Verhagen zelf lopen alle genres en kunstvormen als vanzelfsprekend door elkaar heen. Soms moet je dingen laten zien – dan maak je een documentaire, of je stelt een gedicht samen met teksten uit de werkelijkheid. Soms heb je vragen: en dan ga je interviewen. Soms schieten woorden tekort, en dan kies je ander materiaal. In de jaren tachtig was dat het geval, en uit deze periode stamt ook het zelfportret met de titel ‘Always alone’, waarop Verhagen zichzelf bijna in kleuren verdwijnend heeft afgebeeld. Maar wie zich toen zorgen maakte om zijn carrière als dichter, werd aangenaam verrast met een verzameling sterke bundels die vanaf de jaren negentig nog zou verschijnen.

Wat hij in 1988 over zijn eigen schilderkunst schreef, naar aanleiding van de tentoonstelling Peintures Passionnelles, markeerde die overgang:

Ik ben niet een dichter, die ook schildert.
Ik kan niet nog eens in woorden zeggen wat ik daar heb geschilderd. Wat mij betreft is het verschil tussen die beide kunstvormen, ik ben niet gek ofzo, eigenlijk te verwaarlozen.


Kunst, en dat is maar erg weinig van wat daar voor doorgaat, is niet een kwestie van vorm, schilderen niet van ‘techniek’ en materiaal en de onvermijdelijke Kunstacademie (als ik ’m al had zou ik ’m niet noemen, zo’n certificaat van onwaarschijnlijkheid acht ik dat), net zomin als poëzie = ‘woordkunst’ en muziek = ‘kennis van akkoorden’.

Je kunt studeren en werken tot de mussen schier van het dak vallen, als het geheimzinnige moment in jou geen plek vindt, zal je Niets niet tot Iets worden. Ach, en hoeveel kunstenaars zouden zich geen raad weten met dit niets, naakt en onveilig als het is.

Eerst draaien ze de situatie om: ‘Ik verdenk je ervan dat je op goed geluk werkt,’ zei een schilder me, die overigens mijn werk bewondert. ‘En jij?’ vroeg ik. ‘Op de slechte afloop?’