Harry Mulisch

(1927-2010)

‘Ik ben een schrijver, geen lezer’. Zo typeerde Harry Mulisch zichzelf, en enig recht van spreken heeft hij wel: romans, novellen, verhalen, beschouwend proza, studies, autobiografisch werk, reportages, toneelstukken en gedichten: geen genre of Mulisch heeft het wel beoefend. Toch is er thematische eenheid, die Mulisch (niet vies van grote uitspraken) als volgt omschreef: ‘Ik heb hem niet zozeer meegemaakt, ik bén de Tweede Wereldoorlog.’

Vervaardigd 1976
Techniek Olieverf op doek
Afmetingen 58,5 x 48,5 cm

Harry Mulisch

door Aleid Slingerland (1919-2010)

Een open jack en blote borst, waarschijnlijk draagt Harry Mulisch hier zijn ‘leren vechtjasje’ waarmee hij in die tijd vaak op de foto gaat. De in Aerdenhout wonende portretschilder Aleid Slingerland was bevriend met Haarlemse kunstenaars zoals Kees Verwey en Godfried Bomans en kende ook de in Haarlem geboren Mulisch. Ze toont Mulisch hier in de kracht van zijn leven, gedistingeerd, mannelijk, zoals hij tot aan zijn dood gebleven is.

Toen ze dit portret van hem maakte, had Mulisch net het autobiografische Mijn getijdenboek uitgebracht waarin zijn leven tot de verhuizing in 1958 van Haarlem naar Amsterdam aan de hand van foto’s en documenten staat beschreven. Ook was in 1975 zijn roman Twee vrouwen verschenen, over een tragische lesbische liefde. Het was Mulisch’ eerste grote romansucces in tijden, want na Het stenen bruidsbed uit 1959 had hij voor zijn romans weinig publieke erkenning gekregen.

Twee vrouwen betekende zijn internationale doorbraak en zijn Engelse uitgever voorspelde hem dat hij binnen twee of drie jaar ‘vreselijk beroemd’ zou zijn. Mulisch zei gevleid te zijn: hij zou zich ‘er niet tegen verzetten’. Zes jaar later zou de oorlogsroman De aanslag verschijnen, een megabestseller die in meer dan veertig talen werd vertaald. De oorlog loopt als een rode draad door Mulisch’ werk, van Het stenen bruidsbed, over het bombardement op Dresden, tot en met zijn laatste roman Siegfried uit 2001, waarin hij de denkbeeldige zoon van Hitler opvoert. Befaamd is Mulisch’ uitspraak: ‘Ik bén de Tweede Wereldoorlog’, die zijn oorsprong vindt in het feit dat zijn moeder Joods was en zijn vader een collaborateur. Thema’s als schuld en onschuld, goed en fout en alle schemergebieden daartussen, hebben Mulisch altijd bezig gehouden.

Vervaardigd 2010
Techniek Acryl op doek
Afmetingen 90 x 70 cm

Harry Mulisch

door Dick Bakhuizen van den Brink (1950)

Op 4 maart 2010, het jaar waarin dit portret tot stand kwam, opende Harry Mulisch het vernieuwde Literatuurmuseum. Het bleek een van zijn laatste publieke optredens. Een half jaar later, op 30 oktober, overleed hij op 83-jarige leeftijd aan de gevolgen van kanker. Zijn begrafenis werd een rechtstreeks op de televisie uitgezonden nationale gebeurtenis.

In de voor hem typerende heldere kleuren, organische vormen en met enkele surrealistische trekken, zet schilder Dick Bakhuizen van den Brink Mulisch krachtig neer. ‘Ik heb hem afgebeeld als een serieuze, onderzoekende man’, zegt de schilder. ‘Ik heb lang nagedacht over hoe ik hem op het doek zou zetten. Die zogenoemde ijdelheid van hem, was voor mij een gepasseerd station.’

Nochtans was enige ijdelheid Mulisch inderdaad niet vreemd. Beroemd is het verhaal dat hij zelf liet omroepen in café-restaurant Americain: ‘Telefoon voor de heer Mulisch’, om vervolgens opzichtig naar de telefoon te lopen.

Maar Mulisch was ook en vooral een auteur met brede interesse op het gebied van de wetenschap, kunsten, politiek. Al op jonge leeftijd was hij gefascineerd door scheikunde en getallenleer, en in diverse autobiografische boeken gaf hij aan er vroeger van te dromen uitvinder te worden. Als schrijver ging hij als een literair alchemist te werk: hij verbond persoonlijke ervaringen en actuele gebeurtenissen met mythologie, geschiedenis, beeldende kunst en filosofie om een nieuwe werkelijkheid te laten ontstaan en tot inzicht te komen. Om een tot dusver verborgen waarheid over het leven te onthullen. Hij weefde een web van verhalen en betekenissen waarin alles met alles te maken heeft. Maar het grote raadsel van de oorsprong van het bestaan bleef. Sterker nog: het raadsel werd vergroot.

Vervaardigd 1995
Techniek Krijt, potlood en olieverf op papier en hout
Afmetingen 80 x 60 cm

Harry Mulisch

door Dorinde van Oort (1946)

Op haar portret uit 1995 zet Dorinde van Oort een zelfbewuste Mulisch neer. En waarom ook niet? Hij gold, samen met Willem Frederik Hermans en Gerard Reve, als De Grote Drie van de naoorlogse literatuur.

Al op jonge leeftijd schreef Mulisch verhalen en in 1947 debuteerde hij in Elseviers Weekblad met het verhaal ‘De kamer’. In oktober 1952 verscheen de debuutroman archibald strohalm, geen eenvoudig boek, vol verwijzingen naar de mythologie. Hoge ogen scoorde hij in 1959 met de roman Het stenen bruidsbed, over het bombardement op Dresden.

In de jaren zestig betoonde Mulisch zich een maatschappijkritische schrijver. Hij schrijft dan pamfletten en essays en geen romans. Zijn bewondering voor het Cuba van Castro belijdt hij in Het woord bij de daad. Vanaf het verschijnen van De aanslag in 1982 groeide Mulisch’ roem, niet in het minst door zijn handige omgang met de media. Drie jaar voor Van Oort dit portret van Mulisch maakte, in 1992, was zijn magnus opus verschenen: het door engelen vertelde De ontdekking van de hemel. Een mythologisch en filosofisch hoogstandje waarin Mulisch zijn vriendschap met meesterschaker Jan Hein Donner heeft verwerkt.

Vrijwel alle belangrijke en minder belangrijke Nederlandse literaire prijzen mocht Mulisch in ontvangst nemen en ook verscheidene buitenlandse prijzen vielen hem ten deel. Hij werd tot tweemaal toe koninklijk onderscheiden. Zijn boek De ontdekking van de hemel werd uitgeroepen tot Beste Nederlandstalige Boek Aller Tijden en toen hij tachtig werd publiceerde Britse krant The Guardian een uitgebreide lofzang. Ze gunden hem zelfs de Nobelprijs voor literatuur. Het kwam er niet van maar het was, aldus de Britse krant, ‘een leuk – en gepast –verjaardagscadeautje’ geweest.