Jaap Harten

(1930-2017)
Fictie zonder persoonlijke aanknopingspunten ligt Jaap Harten niet. Kenmerkend voor zijn proza is de vermenging van feit en fictie, documentaire en roman, met een flinke dosis autobiografische elementen en recente geschiedenis. Bekend werd hij met de roman De getatoeëerde Lorelei uit 1968, over een aantal verschoppelingen in het vooroorlogse Duitsland van Hitler. Naast schrijver was hij onder meer ook dichter, redacteur van Podium en werkte hij een tijdlang bij het Literatuurmuseum.
Vervaardigd 2014
Techniek Acryl op doek
Afmetingen 60 x 40 cm

Jaap Harten

door Ringo Mollinger (1984)

Wat is de eigenlijke reden dat je schrijft, vraagt De Telegraaf in 1970 aan Jaap Harten. Iets maken, is zijn antwoord. Hij zag veel films, het maken van een story intrigeerde hem. Filmregisseur lijkt hem wel wat, later bedenkt hij dat hij acteur wil worden. Zijn oom, acteur Ko Arnoldi, brengt hem in contact met toneelvedette Else Mauhs, die hem acteerles geeft. Ze raadt hem echter aan iets met gedichten te doen, ze vindt hem meer het schrijverstype dan een acteur.

Naast Mauhs – over wie Harten in 1984 de biografische roman Else Mauhs, de ontvoering van een legende zal schrijven – stimuleert ook zijn leraar Garmt Stuiveling hem met schrijven door te gaan. Hij ziet in Hartens eerste gedichten de melancholie van Bloem, maar herkende er ook veel eigens in.

In 1954, hij is dan 24, debuteert Harten met de bundel Studio in daglicht. Lange tijd was poëzie voor hem de hoogste vorm van artistieke uiting. ’Op een bepaald moment merk je dat je in de poëzie vrij veel gezegd hebt. Er is een lyrische piek en als die voorbij is, krijg je óf zelfherhaling óf proza’, zegt hij in 1969 in een interview met Lidy van Marissing. En tien jaar na zijn debuut verschijnt zijn eerste proza: Operatie Montycoat, een bundel autobiografische verhalen. ‘Ik kan laveloos fantaseren, levensgrote leugens bedenken en hoe meer mensen er in geloven hoe fijner ik het vind.’ Vanaf dan wisselen poëzie en proza elkaar af. Voor Harten is een dichter een magiër pur sang. ‘Een prozaschrijver is een magiër, gekruist met een theaterman’. Als schrijver houd je bezig met mensen, diep je ze uit, schep je conflicten, eigenlijk zoals een toneel- of filmregisseur dat doet. En zo heeft hij het spoor teruggevonden dat hij als jongen volgde.