Jac. van Hattum

(1900-1981)

Zijn beroemdste gedicht gaat over een socialistisch meisje, aan het eind van zijn leven liep hij het liefst rond in de kazuifel (kledingstuk van het katholicisme bij uitstek), maar vooral was hij individualist: de verzuiling van de literair wereld lag hem niet zo.

Vervaardigd circa 1970
Techniek Olieverf op doek
Afmetingen 68 x 48 cm

Jac. van Hattum

door Joop Rubens (1941)

De spelling van zijn naam was een foutje van de burgerlijke stand, want zijn vader heette ‘Van Hattem’, maar hij liet het zo. Aanvankelijk was hij onderwijzer, maar nadat hij de poëzie ontdekte, werd hij schrijver. Modieus wilde hij in geen geval zijn, ironisch des te meer. Zijn dichtbundel Frisia non cantat 1938 (‘Een Fries zingt niet’) biedt een vaak geestig zelfportret van de in het kleine Friese dorp Wommel geboren Van Hattum.

De bloedserieuze houding van schrijvers rondom het tijdschrift Forum relativeerde hij liefst. Misschien kreeg de dichtbundel die hij met geestverwanten Gerard den Brabander en Ed. Hoornik maakte daarom wel de titel Drie op één perron, een knipoog naar een van Forums bekendste redacteuren: E. du Perron. Ter Braak, de andere grote man achter het literaire tijdschrift, kon de bundel wel waarderen en was vooral enthousiast over de hekeldichten van Van Hattum, ‘een genre, dat Van Hattum met bijzondere virtuositeit beoefent’.

Van Hattum schreef veel, maar een groot werk kwam er nooit: hij maakte liever kleine boekjes, die in de oorlog clandestien werden uitgegeven. Het tweedelige Verzameld werk is in feite een mooie bloemlezing.

Toen kunstenaar Joop Rubens hem ontmoette, zat de carrière van Van Hattum er feitelijk op. Dat was rond 1970, toen de schrijver zich excentriek opstelde, liefst als een soort kardinaal rond paradeerde. De dichter poseerde meerdere keren voor dit werk: ‘Wat ik me kan herinneren is dat Van Hattum diverse keren naar het balkon liep van het atelier en daar zijn zegen over de straat uitsprak… Wij stonden dan beneden aandachtig te kijken naar zijn betoog in kardinaalskleding.’