J.C. van Schagen

(1891-1985)

Het bekendste werk van de Zeeuwse schrijver, dichter en beeldend kunstenaar Johan Christiaan Jacob van Schagen is zijn debuutbundel Narrenwijsheid. Deze prozagedichten werden in 1922 al afgedrukt in tijdschrift De Stem en in 1925 verscheen de bundel. In de loop der jaren werd deze meermaals herdrukt en in 1961 uitgebreid tot de bloemlezing Narrenwijsheid en ander onkruid.

Vervaardigd 1946
Techniek Olieverf op papier
Afmetingen 49,5 x 40 cm

Zelfportret

door J.C. van Schagen (1891-1985)

Van oorsprong was Van Schagen jurist, hij werkte jarenlang bij de Haagse en later de Rotterdamse visserij-inspectie. Na zijn ontslag in 1942 volgde hij lessen in etsen, lithografie en schilderkunst aan de Rotterdamse kunstacademie. Hij begon unica’s te drukken en zou vanaf 1963 in eigen beheer zijn Domburgse Cahiers uitgeven, waarin hij proza en poëzie van eigen hand opnam.

Hij werd ontdekt door de dichters van Barbarber die zich aangesproken voelden door de nuchtere toon en de heldere waarneming in Van Schagens poëzie. In 1965 kreeg hij de Marianne Philipsprijs voor zijn hele oeuvre, dat volgens de jury werd gekenmerkt door ‘frisheid, speelsheid, elan en een onafhankelijke vooruitstrevende geest’.

De Telegraaf interviewde hem naar aanleiding van de prijs: ‘Hij wist het antwoord op onze vraag niet onmiddellijk. Mr. J.C. van Schagen, 74 jaar, dichter in Domburg. We vroegen: “Wat is voor u belangrijker? Uw literaire arbeid of de beeldende kunst?” Voor Van Schagen heeft het allebei zijn aantrekkelijkheden, ‘ daarom is het moeilijk te zeggen, wat eigenlijk mijn voorkeur heeft’. Hij had er ook nooit bij stilgestaan. Maar na er even over nagedacht te hebben, kwam hij toch tot de conclusie, dat de beeldende kunst hem meer trok. ‘Bij de beeldende kunst is het een kwestie van zuiver doen’, zo liet hij de krant weten, ‘en ik doe graag. Bij het literaire werk is het denkwerk onvermijdelijk. Het rationele staat hierbij voorop, terwijl de beeldende kunst irrationeel is.’ Ook laat de laureaat de krant weten dat voor hem mensen als Mondriaan en Jan Toorop, die veel hebben gewerkt rond Domburg, in zijn jonge jaren het eerste contact met de beeldende kunsten waren. ‘Deze avant-garde heeft mijn hele leven getekend.’