Jopie Breemer

(1875-1957)

Hoe vergeten kan iemand zijn? vraagt Gerrit Komrij zich in 1980 in een artikel over Jopie Breemer af. De vraag was retorisch, want Breemer is vrijwel onvindbaar in literatuurgeschiedenissen, literaire woordenboeken en bloemlezingen. Tot Komrij maar liefst zeven gedichten van hem opneemt in het toonaangevende De Nederlandse poëzie van de negentiende en twintigste eeuw in duizend en enige gedichten en een herontdekking voor de bohemiendichter en diens kleine oeuvre inluidt.

Vervaardigd circa 1904
Techniek Olieverf op doek
Afmetingen 24 x 20,5 cm

Jopie Breemer

door A.M. Broekman (1874-1946)

Melancholie en uitbundigheid. Het zijn de twee gezichten van Jopie Breemer, die begin van de vorige tal van absurdistische verhalen, aforismen, korte schetsen en kolderieke, licht-ironische gedichten schreef. Gedichten waarin hij de draak steekt met de dan heersende poëziewetten en waarin hij ‘etens-hap’ laat rijmen op ‘wetenschap’. En dit alles in een tijd dat de poëzie deftig en verheven is, en dichters als Willem Kloos en P.C. Boutens de toon bepalen.

In 1913 brengt een stel van zijn vrienden zijn werk samen in De Ontboezemingsbundel van Jopie Breemer, een 128 pagina’s tellend boekje dat nooit in de handel verschijnt maar onder vrienden hand tot hand gaat. Het verdwijnt in de vergetelheid, tot Gerrit Komrij Breemer ontdekt. In 1981 verschijnt een kleine bloemlezing uit Breemers werk en in 1998  wordt De ontboezemingsbundel heruitgegeven, met een inleiding door Komrij.

De reacties zijn gemengd. Van Remco Ekkers hoeft het niet zo, hij schrijft in de Leeuwarder Courant: ‘Ik begrijp niet zo goed waarom er van deze flauwiteiten, waar in Jopiehol bij de apenootjes zal zijn geglimlacht, een nieuwe uitgave moest worden uitgebracht.’ Hij vindt Breemers werk maar flauw gerijmel, poesiealbumversjes, met, dat moet hij dan wel toegeven, ‘een enkele absurde uitschieter, die de leer even stilzet’. De diverse prozaschetsen zijn in zijn ogen vooral melige verhaaltjes. Volgens Peter de Boer in Trouw is het weliswaar geen belangrijk boek, maar toch wel een onmiskenbaar curiosum. ‘Zulke verzen lijkt in onze postmoderne ogen rijkelijk camp, maar zijn vaak clownesk-ontroerend en als zodanig authentiek.’ Voor Komrij geldt dat Breemers verweving van idealisme en realisme absurde, sublieme nonsens oplevert. Hij stelt: ‘Ik ken nauwelijks ­­volmaakter gedichten dan “Het gapen” en “De reiziger”.’

Vervaardigd circa 1911
Techniek Olieverf op doek
Afmetingen 51 x 36 cm

Jopie Breemer

door Ed Gerdes (1887-1945)

Jopie Breemer is niet zozeer bekend om zijn literaire geschriften als wel vanwege het feit dat hij het eerste decennium van de twintigste eeuw ­het middelpunt was van de Amsterdamse bohème. Zijn schamele behuizing, ‘het Jopiehol’, was de luidruchtige ontmoetingsplaats van uiteenlopende kunstenaars, wetenschappers en schrijvers, onder wie  Arthur van Schendel – die hier zijn tweede vrouw Annie ontmoette –, Emmy van Lokhorst, Mary Dorna – die Breemer ‘een bleke Christuskop’ vond hebben –, Hildo Krop, Han van Meegeren, en waarschijnlijk ook kunstschilder Ed Gerdes, de maker van dit portret die net als Breemer bevriend was met Van Meegeren.  

Iedere woensdag- en vrijdagavond, en overigens ook op andere dagen, hield Breemer een altijd drukbezochte ‘soir’. Er werd voorgedragen, gezongen, gediscussieerd, geroddeld, geflirt en dat alles onder stille leiding van de zeer onderhoudende gastheer, die met een mild-spottende opmerking hoogoplopende gemoederen kon sussen. Nooit schonk hij alcohol, er werd alleen water, melk en vooral thee gedronken.

Arjen Ribbens, die in 1981 een scriptie wijdde aan Breemer, beschrijft in 1998 in NRC Handelsblad Breemers volgestouwde eenkamerwoning, die gedomineerd werd door een gammele divan. ‘In de hoek stond een oud spinet en aan de muren hingen twee reproducties naar Vermeer, een ingelijst portret van de gastheer, en een aantal bordjes met leuzen als “Eet alleen plantaardig voedsel” en “Toe vader, drink niet meer”’. Toen Breemer in 1913 Amsterdam verruilde voor Den Haag nam zanger Piet Endt samen met zijn achterneef het hol en de avonden over, maar de soir van ‘Dikke Piet’ was geen succes. Tijdens een van deze avonden is een groepsfoto gemaakt: op de muur hing dit portret van Breemer. Uiteindelijk vloeide uit Jopiehol de kunstenaarssociëteit De Kring voort. Misschien ontleent Jopie Breemer daar zijn grootste belang aan.

Vervaardigd circa 1900
Techniek Olieverf op paneel
Afmetingen 25 x 19,5 cm

Jopie Breemer

door onbekende schilder

Wie was nou Jopie Breemer? Volgens Gerrit Komrij was hij een ‘half-dadaïstische, half anarchistische bohémien […] een echte artiest.’ Duidelijk is dat Breemer van alles kon: tekenen, dichten, acteren, vioolspelen. Het ontbrak hem echter aan ambitie. En aan geluk, zo stelt Arjen Ribbens, die een scriptie aan de dichter wijdde, in 1998 in NRC Handelsblad.

Breemer is 15 als zijn moeder overlijdt. Vier jaar later sterft zijn vader, berooid, en Breemer moet zijn studie aan de Rijksacademie van Beeldende kunsten afbreken. Na een weinig geslaagde poging om dichter te worden, wordt hij beroepsmilitair. Dezelfde maand staat hij al op wacht bij de inhuldiging van koningin Wilhelmina. In 1903 zwaait hij af en gaat hij reizen; met volle teugen geniet hij van het bohèmeleven in Berlijn en Parijs. Hij keert terug naar Amsterdam en ontwikkelt zich daar tot een centrale figuur in de Amsterdamse kunstenaarswereld.   

In 1913 trouwt hij met Johanna Kruls (‘Pom’) en verruilt hij Amsterdam voor de hofstad. In het badseizoen verdient hij als (nacht)portier in diverse hotels het geld waarmee hij in de wintermaanden door Europa kan trekken. Volgens sommige verhalen scheiden Breemer en Pom (waarna ze alsnog samen een kind krijgen), andere melden dat zij in het kraambed sterft en dat hun kind door haar familie bij hem wordt weggehaald. In de jaren twintig hertrouwt hij met de voormalig ballerina Mitzi, met wie hij een zoon krijgt. Met haar begint hij in Den Haag een dansschool. Ribbens: ‘Familieleden herinneren zich de bejaarde Jopie. Op zijn tapdansschoenen schuifelde hij door de straten van Den Haag, het hoofd als van ouds een weinig scheef gedragen.’ Hij overlijdt in 1957, 81 jaar oud.