Kees Winkler

(1927-2004)
‘Als je maar stug doordicht / word je vanzelf klassiek / en dat streef ik niet na’, dichtte Kees Winkler, dichter van het alledaagse. Zijn poëzie is opgesteld in eenvoudige taal en maakt soms de indruk van naïviteit. Maar daarachter gaat wel iets wezenlijks schuil. ‘Winklers gewoonheid is bedwongen extase, gerelativeerde wanhoop,’ aldus Adriaan Morriën.
Vervaardigd 1977
Techniek Olieverf op papier
Afmetingen 49,5 x 39 cm

Kees Winkler

door Herman Rijkmans (1897-1982)

Kees Winkler debuteert in 1960 met de bundel Tussen twee oorlogen. Hij is niet zonder succes, zo noemt criticus Karel Soudijn van NRC Handelsblad hem in een bespreking van zijn derde bundel Gedichten (1972) ‘een van de aardigste dichters die er op dit moment rondlopen’. In december 1972 mag Winkler de Henriette Roland Holst-prijs in ontvangst nemen voor zijn poëtisch oeuvre. Volgens de jury, gevormd door Hanny Michaelis, Gerrit Kouwenaar en T. van Deel, weet Winkler in een eenvoudige taal het gebeuren van alledag kleur en betekenis te geven. Hij krijgt de prijs voor zijn ‘in hoge mate verstaanbare poëzie, zijn uiterst gewone en persoonlijke dichtkunst, waarin zijn relativerende toon kenmerkend is’. In zijn dankwoord spreekt Winkler al even relativerend: ‘Dichter is uiteindelijk iedereen, die zich als zodanig aandient.’

In zijn vierde bundel schrijft Winkler: ‘vroeger streefde ik naar grote gevoelens / maar in wezen bleef ik klein / een minor poëet’, regels die hij in de bundel Zeven x vijf, uit 1975, laat volgen door: ‘Ik lig nu voor een gulden bij de Slegte / zo is het einde van een klein talent / mijn verzen zijn aan mij het enig echte / en zijn alleen bij insiders bekend’. Het is berusting, maar geen reden tot ophouden; hij publiceert nog behoorlijk wat bundels, losse cycli en diverse rijmprenten, veelal bibliofiel uitgegeven. Zijn werk werd gewaardeerd, zelfs tijdschriftpublicaties werden besproken, zoals een bijdrage in Hollands Maandblad: ‘De poëtische Symfonie nr. 11 van Kees Winkler is (…) zo helder als bronwater, romantisch, lief en licht als een vlinder. Echt een symfonie’, aldus Max van Rooy in NRC. Toch geen al te ‘minor’ genre.

 

Vervaardigd 1984
Techniek Oliepastel op papier
Afmetingen 72,5 x 53 cm

Kees Winkler

door Marjolein Schouten (1948)

‘Ik schrok van het uiterlijk van Kees Winkler, zo grof, met dolle pruilogen en telkens liet hij zijn mond openvallen. Een kop voor nachtmerries’, schrijft Hans Warren in zijn Geheim dagboek 1984-1987 over de dichter. Op dit portret door beeldend kunstenaar en graficus Marjolein Schouten komen Winklers ogen inderdaad wat dreigend over, maar door haar gebruik van bonte kleuren wordt het toch een vrolijk geheel.

In 1984, als Schouten dit portret van Winkler maakt, is hij bezig aan de bloemlezing Liefde is het enige. De honderd mooiste liefdesgedichten sinds 1945, die in 1985 verschijnt. Werden Winkler en zijn poëzie over het algemeen positief ontvangen, nu zijn de reacties op zijn werk soms wel wat zuurder: ‘Winkler beschrijft zichzelf terecht als een “minor poet” voor wie het grote hemelbestormende dichterschap niet is weggelegd. Zo’n zelfrelativering maakt veel goed,’ schrijft bijvoorbeeld Theo Hermans in zijn poëziekritiek in Neerlandica extra Muros. Ook anderen kunnen niet meer zoveel met het soms wat al te huiselijke. Rob Schouten schrijft over de bundel Vers uit de veren uit 1982: ‘De poëzie uit de zoveelste bundel van Kees Winkler (…) kan men als een onproblematische variant van Koplands gedichten beschouwen. Ook hier wordt het tekort van een dichter tegenover de wereld danig gevoeld. In tegenstelling tot Kopland durft Winkler zich, tegenover zoveel kosmos, haast schaamteloos in Biedermeijerachtige gezapigheid te laten gaan.’ 

Winkler legde grote eer in het  samenstellen van de Liefde is het enige, waarin hij ook enkele gedichten van eigen hand opnam. Deze bloemlezing blijkt succesvol en haalt binnen enkele jaren drie drukken. Winklers eigen poëzie wordt in 1997 gebundeld in het 750 bladzijden tellende 'Verzamelde gedichten'.

Vervaardigd 1987
Techniek Aquarel op papier
Afmetingen 73,5 x 53,5 cm

Kees Winkler

door Ronald Verwer (1948)

Naast dichter is Kees Winkler ook arts, en na zijn artsexamen is hij werkzaam als bibliothecaris bij het herseninstituut aan de Universiteit van Amsterdam. De maker van dit portret, Ronald Verwer, is net als Winkler verbonden aan het herseninstituut, waar hij, ook na zijn pensioen in 2013, als senioronderzoeker betrokken is in de groep van Dick Swaab.

Verwer volgde modelschilderlessen bij het SAKB in Amstelveen, maar dit portret – ter gelegenheid van Winklers afscheid – is het enige dat hij tot nu toe maakte. ‘Ik heb zonder zijn medeweten een foto van zijn vrouw geleend,’ zegt Verwer. Toen hij in 1979 op het Herseninstituut begon, was Winkler er bibliothecaris. Volgens Verwer was hij was een vriendelijke, weinig spraakzame man. Zo nu en dan kregen medewerkers een net uitgebrachte dichtbundel cadeau, zodoende dat Verwer zijn werk wel heeft gelezen. ‘Ik vond hem een fascinerende man, maar ik kan niet goed omschrijven waarop dat gebaseerd was’. Toen Verwer hem dit portret overhandigde, bedankte Winkler een beetje vaag, aldus de schilder. ‘Het is mij nooit duidelijk geworden of hij er wel of niet gelukkig mee was.  Dat was wel een beetje karakteristiek voor hem.’

Dick Swaab en Jenneke Kruisbrink, ook bibliothecaris van het herseninstituut, herinneren zich Winkler als een fervente sigarenroker, iets wat niet door alle medewerkers werd gewaardeerd. ‘Bij de jaarlijkse kerstkoffie placht hij een aantal eigen gedichten voor te dragen, die hij dan tweemaal voorlas.’

Winkler overleed op 1 april 2004 op 76-jarige leeftijd. De laatste jaren van zijn leven leed hij aan de ziekte van Parkinson, overgehouden van pillen die hij slikte toen hij in de jaren zestig was opgenomen vanwege een schizofrene psychose.