M. Nijhoff

(1894-1953)

Poëzie heeft een langere levensduur dan infrastructuur. Want ‘Ik ging naar Bommel om de brug te zien. Ik zag de nieuwe brug’ wordt herkend door iedereen die maar een beetje van poëzie houdt. Maar die ‘nieuwe brug’, de Waalbrug bij Zaltbommel, is alweer gesloopt. Poëtische rechtvaardigheid: de vervangende brug is vernoemd naar de dichter.

Vervaardigd 1924
Techniek Olieverf op doek
Afmetingen 45 x 45 cm

M. Nijhoff

door Toon Kelder (1894-1973)

‘Hier toont zich de modernist, die thuis is in Parijs, in de literatuur, naast de wereld’, schrijft Nijhoff-kenner Gillis Dorleijn over dit portret. Het is een beeld van een jonge Nijhoff, die niet bang was voor de moderniteit die de twintigste eeuw met zich meebracht.

De portrettist evenmin: Toon Kelder was aanvankelijk vooral een schilder van romantische naakten, maar werd een beeldhouwer die abstracte sculpturen maakte. Hier schildert hij Nijhoff met een losse toets tegen de achtergrond van abstracte kleurvlakken. Volgens Dorleijn zou dit portret – met de stille ernst, de ironisch samengeknepen mond en de vastgehouden zwier – de perfecte frontispice zijn geweest bij Vormen, Nijhoffs tweede dichtbundel die verscheen in het jaar dat dit portret gemaakt werd.

Het is een bundel waarin Nijhoff zich met een haast classicistische ernst conformeert aan de literaire vorm (de titel van de bundel verklapt het al een beetje). Het lijkt een keuze van vorm boven inhoud, maar dat is schijn: Nijhoff geloofde in het belang van een nauwkeurig vormgegeven taal, een zorgvuldige techniek van dichten. Hij was dan ook niet eenvoudig van de wijs te brengen. Na een negatieve bespreking schrijft hij aan collega-auteur Emmy van Lokhorst: ‘Misschien zal het nog twintig jaar duren, eer het inzicht baanbreekt. Gelukkig zijn de verzen voldoende technisch sterk om het zoo’n tijd uit te houden.’ Arrogant? Hij had gelijk.

Nijhoff gebruikte zijn medium om ook een portret van zijn portrettist te maken – al wordt het auteurschap van dit kwatrijn betwist:

OP TOON KELDER

Tusschen twee groote cirkels
- Zijn hoed en zijn palet -
Heeft God een derde cirkel
Zijn rond gezicht gezet.

Al dan niet van Nijhoff, dit puntdicht was in ieder geval algemeen bekend was in de gezamenlijke vriendengroep van dichter en schilder.

Vervaardigd 1944
Techniek Olieverf op doek
Afmetingen 31 x 41 cm

M. Nijhoff

door Joop Sjollema (1900-1990)

Martinus Nijhoff is hier te zien als een gearriveerd dichter, gezaghebbend criticus, eminent vertaler. Zijn beroemde verhalende gedichten Awater en Het uur U waren in de jaren dertig verschenen en met zijn pleidooi voor literaire vorm had hij een belangrijke stem gehad in de ‘Vorm of vent’-discussie. De ‘vent’-kant van de discussie werd waargenomen door onder andere E. du Perron, Menno ter Braak en Carry van Bruggen – de ‘vorm’ werd verdedigd door bijvoorbeeld Hendrik Marsman, en natuurlijk de dichter van Vormen: Martinus Nijhoff dus.

Het portret is gemaakt door Joop Sjollema, die veel bekende persoonlijkheden uit de kunst- en cultuurwereld schilderde, naast Nijhoff ook Theun de Vries, Kees Verwey en Sonia Gaskell. Sjollema maakte dit werk in 1944, midden in de oorlog.

Nijhoff was aan het begin van deze oorlog gemobiliseerd, maar raakte al snel gewond. Toen hij na de arrestatie van verzetsman professor N.A. Donkersloot door de Duitsers werd voorgedragen voor diens hoogleraarschap aan de Universiteit van Amsterdam, weigerde hij dit, waarop hij tot het einde van de oorlog ondergedoken leefde. Hij hield zich bezig met diverse verzetsdaden en was als specialist op het gebied van explosieven betrokken bij de voorbereidingen op de aanslag op het Bevolkingsregister in Amsterdam. Ook werkte hij samen met onder meer uitgever-dichter Bert Bakker mee aan het illegale Vrij Nederland.

Nijhoff had zijn hoogtijdagen als dichter al achter de rug, maar zijn betekenis voor de Nederlandse literatuur bleef groot. Na de oorlog werd Nijhoff letterkundig adviseur bij het ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen en met Bakker vatte hij het plan op voor het literaire tijdschrift Maatstaf. Hij stierf voor het eerste nummer verscheen maar Bakker zet het plan door en het eerste nummer is gewijd aan de dichter – een van de grootste van de Nederlandse letteren, over wie tot op heden nog regelmatig wordt geschreven.