S. Carmiggelt

(1913-1987)

De toekenning van de P.C. Hooft-prijs 1974 betekende een doorbraak in de waardering voor de ‘stukjesschrijver’. Met de hoogste onderscheiding in de Nederlandse literatuur werd de trefzekere stijl bekroond van de meer dan 10.000 Kronkels die hij van 1946 tot 1983 in Het Parool had gepubliceerd.

Vervaardigd 2008
Techniek Acrylverf op doek
Afmetingen 70 x 50 cm

S. Carmiggelt - Kronkel

door Frits Woudstra 1956

Geen wonder dat Frits Woudstra dit portret ‘Kronkel’ heeft genoemd. Simon Carmiggelt dankt zijn bekendheid vooral aan de columns die hij vanaf 1946 onder de naam Kronkel publiceerde in Het Parool – en die tientallen keren gebundeld werden.

Carmiggelts Kronkels zijn ironische, melancholieke teksten over ‘kleine’ gebeurtenissen in Amsterdam, die zich veelal in kroegen afspelen. Volgens eigen zeggen ‘citeerde’ Carmiggelt slechts uit het leven zelf: ‘Schrijven is maar de helft van het werk. De andere helft is onder de mensen te zijn om stof op te doen. Te schrijven, te luisteren, te noteren.’ Vanaf 1965 las Carmiggelt wekelijks een Kronkel voor op de VARA-televisie.

Zijn leven lang worstelde Carmiggelt met de drank. Zijn omzwervingen kwamen zijn gezondheid niet ten goede en in 1987 belandde hij in het ziekenhuis vanwege diabetes. Weer thuis werd hij getroffen door een hartaanval. Een tweede hartaanval werd hem fataal.

In 1991, een paar jaar na Carmiggelts dood, publiceerde Vrij Nederland-columniste Renate Rubinstein Mijn beter ik, waarin ze haar jarenlange geheime relatie met ‘de meest getrouwde man van Nederland’ onthulde.

Vervaardigd 1974
Techniek Olieverf op doek
Afmetingen 95 x 75 cm

S. Carmiggelt

door Sylvia Willink (1944)

Het is 1974 en S. Carmiggelt is het ‘model van de maand’ in het Van Goghmuseum. Sylvia Willink – dan nog Quiël – is een van de circa vijftig mensen die een portret van hem tekent. In de pauze spreekt ze hem aan: ‘Ach meneer Carmiggelt, ik zou u veel liever schilderen.’ En dat is gebeurd.

Ze beeldt Carmiggelt af op de Weteringschans in Amsterdam, waar hij woont, bij het Weteringplantsoen. Op de hoek een kroeg, omdat hij daar de inspiratie voor zijn columns, ‘Kronkels’, haalt. Op zijn verzoek schildert ze ook het Kurhaus in Scheveningen. ‘Want ik ben uiteindelijk iemand uit Den Haag,’ pleit hij. Poezenliefhebster Willink voegt ook een poes en een boek toe, een verwijzing naar Carmiggelts Poespas.

Ze wil Carmiggelt zo geloofwaardig mogelijk neerzetten en denkt zorgvuldig na over zijn houding en blik. Een weergave die herkenbaar is en niet gaat vervelen. ‘Dat iemand je aankijkt, dat je denkt, o, ja, dat is ’m. Dat moment van herkenning, daar gaat het eigenlijk om in een portret.’ Voor haar is dit het meest Carmiggelt-achtig, met het scheve lachje en de handen nonchalant in de zak. 

Carmiggelt is tevreden over het resultaat: ‘Het is een fraai voorbeeld van haar talent. De zorgvuldigheid waarmee zij schildert, verklaart haar grote bewondering voor Carel Willink. Maar haar visie is lichter van toets en niet onheilspellend.’ In 1975 is het Carmiggelt die Sylvia Quiël voorstelt aan haar grote voorbeeld, de magisch-realistische schilder. In 1977 trouwen Sylvia en Carel, Carmiggelt is een van de getuigen.

Vervaardigd 1929
Techniek Olieverf op doek
Afmetingen 50 x 40 cm

Zelfportret

door S. Carmiggelt (1913-1987)

Op 7 oktober 1913 wordt in Den Haag Simon Johannes Carmiggelt geboren. Zijn vader Herman was handelsreiziger in vleeswaren, zijn moeder Jeanne had een hoeden- en pettenwinkel.

Carmiggelt is pas zestien jaar als hij dit zelfportret maakt. Hij zit dan nog op de Handelsdagschool en werkt al sinds de lagere school mee aan allerlei (school)bladen. In december 1928 zijn enkele van zijn gedichten gepubliceerd op de kinderpagina van De Tuinkroniek, het blad van de Haagse Dierentuin waar zijn ouders een abonnement op hebben. Door al zijn werkzaamheden als redacteur van De Schakelaar, ‘orgaan van Haagsche Instellingen voor voorbereidend hooger- en middelbaar onderwijs’, komt de jonge Carmiggelt niet toe aan huiswerk. Hij blijft zitten en zijn ouders halen hem van school. Kort daarna wordt hij volontair bij Het Vaderland, daarna gaat hij als leerling-verslaggever en later als toneel- en filmrecensent aan de slag bij Vooruit, gelieerd aan de socialistische krant Het Volk. Daar begint hij onder de titel ‘Kleinigheden’ ook Haagse ‘cursiefjes’ te schrijven, de voorloper van de ‘Kronkels’ die hem beroemd zouden maken.

Op dit portret toont Carmiggelt zichzelf, terwijl hij zich in zijn leven van talloze schuilnamen bedient. De bekendste is Kronkel, ‘den naam van de onserieuze worm’ uit het kinderfeuilleton ‘Gijsbert Konijn’. Onder deze naam schrijft hij vanaf 1946 voor Het Parool korte liefdevolle en grappige impressies van mensen die hij tegenkomt op straat, kroegverhalen die hij meepikt. Voor zijn gedichten gebruikt hij het pseudoniem Karel Bralleput, tussen 1948 en 1956 verschijnen er drie bundels onder die naam. Daarnaast zal Carmiggelt teksten schrijven voor cabaretiers als Wim Sonneveld en Wim Kan en ook voor zijn goede vriend filmmaker Bert Haanstra.

Vervaardigd 1979
Techniek Gouache en o.i. inkt op board
Afmetingen 41 x 35 cm

S. Carmiggelt

door Hendrik Valk (1897-1986)

Het zijn maar een paar lijntjes en toch is in één oogopslag duidelijk dat dit een portret is van Simon Carmiggelt. Zit vooral in het scheve hoofd, erg karakteristiek voor de schrijver, maar ook heeft Hendrik Valk het melancholische en wat mistroostige van Carmiggelt zeer treffend weten vast te leggen. Zelfs diens rossige haardos, die vaak wat slordig rond het hoofd zwaaide, heeft de schilder met slechts een paar streken gevangen.

Het portret is typerend voor de stijl van Valk. De schilder, die in 1916 zijn M.O.-akte Hand en Rechtlijnig Tekenen behaalde aan de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag behaalde, balanceerde al van jongs af aan tussen figuratie en abstractie, waarbij hij zocht naar de essentie van dat wat hij afbeeldde. Iets wat hij gemeen had met de kunstenaars van De Stijl. Maar toen hij rond 1920 door Theo van Doesburg gevraagd werd zich aan te sluiten bij deze stroming, besloot hij zijn eigen weg te gaan. Want waar Van Doesburg, Piet Mondriaan en andere Stijl-kunstenaars uitkwamen bij abstractie, bleef Valk toch altijd de herkenbare realiteit trouw. Hij bracht deze alleen terug tot een gestileerde voorstelling in dunne lijnen en heldere kleurvlakken, waarbij hij overbodige details wegliet. Hij was de kunstenaar van de strakke lijn.

Valk is dit zijn leven lang, met uitzondering van een meer realistische periode in de jaren dertig, blijven doen. Werk verkocht hij nauwelijks, geld verdiende hij als docent aan de Arnhemse kunstacademie en met het schilderen van wc- en reclamebordjes. Dit portret stamt van na zijn pensionering, toen hij het maken van kunst weer serieus had opgepakt.