Til Brugman

(1888-1958)
Vrijheid bevechten, dat was wat Til Brugman in haar werk deed. Aanvankelijk in onorthodoxe gedichten waarbij klank en vorm meer aandacht opeisen dan inhouden, in korte absurdistische verhalen waarin ze de werkelijkheid kon loslaten, maar later in haar carrière ook expliciet, in proza waarin ze zich afzette tegen haar streng katholieke achtergrond – maar niet verbitterd: ze bleef liever optimistisch over de menselijke verbeeldingskracht.
Vervaardigd 1950
Techniek Olieverf
Afmetingen 81 x 64,5 cm

Til Brugman

door Gertrud Koref-Musculus (1889-1972)

‘Alleen de kunstenaar leeft thans nog een zinrijk, een waarachtig leven,’ schreef Til Brugman in het jaar dat dit portret werd gemaakt, ‘ploeterend aan ’s mensen en tevens dus aan eigen beterschap.’

Brugman was tussen de twee wereldoorlogen nauw betrokken bij de internationale avant-garde van Dada en De Stijl. Piet Mondriaan, die ze al in 1908 op dansles had leren kennen, was een goede vriend en ze onderhield contacten met Kurt Schwitters en El Lissitzky. Geïnspireerd door de kunstenaars om zich heen schreef ze haar klankgedichten, constructies waarbij het gaat om typografie, ritme en klankkleur. Daarnaast bemiddelde ze bij de verkoop van werk van kunstenaars als Hans Arp en Max Burchartz.

Van 1926 tot 1936 had Brugman een relatie met de Duitse dadaïste Hannah Höch. Het stel woonde onder meer in Berlijn. Zou ze hier Gertrud Koref-Musculus, de maker van dit portret, hebben leren kennen?

Pas in 1946 zou Brugman, op 58-jarige leeftijd, haar eerste roman publiceren: Bodem. Marcus van Boven, Gods knaap. Een criticus in die tijd noemde haar ‘de laat debuterende originele’, woorden waar ze blij mee was, op 64-jarige leeftijd stuurde ze hem haar nieuwe novelle als bedankje. Toen in 1960 postuum de bundel Spiegel en lachspiegel verscheen, omschreef Vrij Nederland Brugmans werk als ‘een verzet tegen kleinburgerlijkheid en bekrompenheid, tegen vooroordeel en vals sentiment’.

Vervaardigd circa 1930
Techniek Olieverf op doek
Afmetingen 56 x 42 cm

Til Brugman

door Hannah Höch (1889-1978)

‘Til Brugman schreef honderden grotesken, maar kon ze aan de straatstenen niet kwijt. Een miskend genie tussen dada en De Stijl,’ schrijft Xandra Schutte in 1995 in De Groene Amsterdammer. Ze meent dat de grotesken – korte absurdistische verhalen waarin het realistische met het fantastische wordt vermengd en het ernstige met het komische – die Brugman in de jaren twintig en dertig scheef, wellicht te experimenteel zijn. 'Mijn soties [zoals Brugman haar verhalen noemde] – die durven de uitgevers helemaal niet aan, want behalve verontrustend zijn ze bovendien kort en “wat kort is, gaat niet” zeggen ze’, verklaarde Brugman zelf. En in 1936 schreef ze aan dichter en criticus J. Greshoff: ‘Het op zichzelf reeds zo doornig pad der grotesque is in Holland heelemaal niet om door te komen.’

Brugman was haar grotesken gaan schrijven onder invloed van de Duitse collage-kunstenares Hannah Höch, die ze in 1926 via Kurt Schwitters had ontmoet. Beide dames maakten deel uit van de experimentele, internationale avant-garde en hadden nauwe betrekkingen met de kunstenaars van Dada en De Stijl. Ze kregen een relatie en woonden eerst lange tijd samen in Den Haag, waar Höch in 1929 haar eerste solotentoonstelling had, later in Berlijn. Daar wist Brugman uiteindelijk enkele van haar grotesken gepubliceerd te krijgen; Scheingehacktes. Grotesken mit Zeichnungen von Hannah Höch verscheen in 1935. Een jaar later gingen Brugman en Höch uit elkaar. ‘Onder haar sterke persoonlijkheid en uitgesproken geldingsdrift leed mijn eigen vitaliteit en ik moest mezelf weer terugvinden en tot mezelf terugkeren,’ aldus Höch, die in 1938 zou trouwen met de pianist Kurt Matthies. Brugman woonde nog enkele jaren in Berlijn, maar keerde in 1939 met haar negentien jaar jongere vriendin, Hans Mertineit-Schnabel terug naar Nederland.