Victor Vroomkoning

(1938)
Victor Vroomkoning, pseudoniem van Walter van de Laar, is eerst en vooral dichter, van ogenschijnlijk rechttoe-rechtaan observaties, van beelden die door de werkelijkheid cadeau zijn gedaan. In 1997 schrijft hij onder het pseudoniem Stella Napels de verhalenbundel Lippendienst, maar dat blijft een uitstapje. Hij blijft vooral een dichter, die in Tachtig zijn naar eigen inschatting ‘mooiste gedichten’ bundelde.
Vervaardigd 2004
Techniek Olieverf op doek
Afmetingen 59,5 x 53 cm

Victor Vroomkoning

door Robert Terwindt (1940-2019)

Voor het Literatuurmuseum schreef Victor Vroomkoning dit portretje van zijn goede vriend, schilder Rob Terwindt, ter nagedachtenis:  

‘Ik leerde Rob Terwindt kennen tijdens rumoerige feesten in de jaren zeventig. Ik was eind jaren zestig in Nijmegen komen wonen, hij was daar een prominent kunstenaar en mannetjesputter. Toen zich mijn late roeping tot het dichterschap ontvouwde, zagen we elkaar vaker. Wij waren leeftijdgenoten, dat helpt altijd bij een vriendschap, er is veel vanzelfsprekend en daarover kun je zwijgen. Met hem was het direct van man tot man, door de telefoon, op zijn ateliers, in gezelschap als we bijeenkropen. Gesprekstof hadden we te over, vaak tegen het leedvermaak aanschurkend maar altijd van de goede kant. Hij wist van het menselijk tekort en de sehnsucht, je kon dat van zijn doeken aflezen,  la condition humaine lag er voor het oprapen. Mij schonk hij een aantal stukken, ook al omdat ik wat exposities van hem opende, over zijn werk schreef en uit zijn doeken gedichten opdiepte.  Ik heb dat tijdens zijn uitvaart mogen memoreren.

We hadden raakvlakken: in ons werk weerspiegelde zich ons leven, in aanvang althans, want tijdens de genese deed de aanleiding er niet meer toe. Wat ons zonder meer bond, was onze belangstelling voor erotiek. Rob ontgon naar eigen zeggen het gebied tussen keurige kunst en porno, en ik schreef onder het heteroniem Stella Napels een door sommige recensenten als pornografie begrepen bundel.

Op een dag vroeg Rob me of hij mijn kop mocht schilderen. Ik hoefde niet te poseren, hij kende me toch? Maar ik had grote moeite met het resultaat, vond mezelf dunnetjes terug  in het portret, en het geel achter me vond ik uit de lucht gegrepen want die kleur deed me niets, ik prefereerde blauw. Maar mijn zoon wuifde dat weg en hij drukte het portret af op een beker waaruit ik nu dagelijks drink. Zo vlakbij houd ik indirect Rob in leven.’