Willem Hussem

(1900-1974)
Willem Hussem werd als dichter vooral bekend om zijn korte gedichten, die verwant zijn aan oosterse dichtvormen. ‘Zuiverheid van beeld, ontdaan van bijkomstigheden, daar komt het op aan’, zei hij ooit. Zijn literair oeuvre bleef wat onopgemerkt, wel kreeg hij in 1965 de Jan Campert-prijs. Bekender was Hussem als beeldend kunstenaar, hij wordt beschouwd als een van de belangrijkste schilders van de Nieuwe Haagse School.
Vervaardigd 1957
Techniek Olieverf op doek
Afmetingen 65 x 50 cm

Willem Hussem

door Willem Schrofer (1898-1968)

Willem Hussem heeft in het naoorlogse Den Haag zijn vaste plaats aan de achterste tafel van Bodega De Posthoorn, van oudsher een ontmoetingsplek voor kunstenaars, schrijvers en dichters. ‘Met zijn gezette figuur, zijn in niets opvallend maatpak, zijn bewegelijke handen, zijn zware bril en zijn vriendelijk, maar toch scherp gezicht, voerde hij eindeloze gesprekken of luisterde aandachtig naar wat de vrienden te vertellen hadden. Ernst en humor wisselden elkaar af, evenals de glaasjes en de onderwerpen trouwens ook,’ zo herinnert dichter en oud-hoofdconservator van het Literatuurmuseum Gerrit Borgers zich. Om zich heen had Hussem een groep kunstenaars verzameld die niet alleen de horecagelegenheid vrijwel dagelijks frequenteerde, maar er ook exposeerde, bekend geworden als de Posthoorngroep, een van de pijlers van de Nieuwe Haagsche School.

Ook de maker van dit portret, Willem Schrofer, was onderdeel van de Posthoorngroep. Hij was een naast beeldend kunstenaar ook een toonaangevende docent op de Haagse Academie en was een van de oprichters van VERVE-groep, dat gezien kan worden als de Haagse tegenhanger van de Amsterdamse COBRA-groep.

Al voor de oorlog was Hussem vaak te vinden in De Posthoorn, in het gezelschap van schrijvers als S. Carmiggelt, M. Nijhoff en J.C. Bloem. Met name deze laatste bracht Hussem ertoe zelf ook te dichten en zo verscheen in 1940 zijn debuut De kustlijn. Hoewel er in de oorlog nog enkele bundels verschenen, zweeg Hussem als dichter lange tijd om pas in 1961, vier jaar nadat Schrofer hem portretteerde, met een volgende poëziebundel te komen. Was zijn eerste werk traditioneel en beïnvloed door onder meer Bloem en Boutens, nu waren zijn gedichten sober en geconcentreerd, een etherische versie van wat dichters rondom Barbarber en Gard Sivik deden.