Schrijvende vrouwen: een snelle reis door de literatuur

Belle van Zuylen neemt een sleutelpositie in de Nederlandse literatuur – misschien wel juist omdat ze in het Frans schreef. Zo zit ze niet alleen op het grensvlak van talen, maar ook van literaturen, en zelfs van eeuwen: het begin van de negentiende eeuw maakte ze nog net mee. Ze schreef enkele verhalen (onder andere De edelman, Mijnheer Sainte Anne) maar vooral dankzij haar brieven wordt ze nog steeds gelezen: ze zijn van een ongekende souplesse en openheid. Van Zuylen zette haar persoonlijke leven om in literatuur en haar invloed doet zich eeuwen later nog gelden. In de twintigste eeuw verschijnen er bloemlezingen met aansprekende en tijdloze titels als Ik heb geen talent voor ondergeschiktheid en Je bent een allerbeminnelijkste dwaas waarmee haar positie in de canon permanent wordt.


De meest geliefde vorm voor de roman was in de tijd van Van Zuylen de briefroman – met Sara Burgerhart van tijdgenoten Betje Wolff en Aagje Deken als bekendste voorbeeld. In de negentiende eeuw zou de roman zich sterk in historische richting ontwikkelen: Geertruida Bosboom-Toussaints schreef met Het Huis Lauernesse een van de belangrijkste romans in dit genre.

 

Naast de persoonlijke en historische literatuur ontstond er in het begin van de twintigste eeuw een vorm waarbij filosofie een grote rol speelde: Carry van Bruggen is een schrijver die in haar werk veel ruimte maakte voor filosofische en taalkundige overwegingen. Ze was daarmee ook invloedrijk op de schrijvers rondom Forum: in het vermengen van fictie, autobiografische gegevens en abstractere denkbeelden was Van Bruggen baanbrekend.


Wat het proza betreft kunnen bijna alle belangrijke schrijvers wel ondergebracht worden bij een van deze drie grote stromingen – de persoonlijke, de historische en de filosofische. Het is enigszins wrang om te wijzen op de persoonlijke en autobiografische aspecten van een schrijver als Anna Enquist, omdat een van haar belangrijkste boeken, Contrapunt, gekleurd is door de rouw om de verongelukte dochter. Het is een imposant boek waarin de structuur die muziek biedt, in elk geval die van Bach, een handvat is om het onbegrijpelijke en ondraaglijke verlies in elk geval te kunnen hanteren. Maar ook daarvoor al spelen muziek en psychiatrie in zowel werk als leven bij Enquist een grote rol.

 

Ook Mensje van Keulen kan in deze context genoemd worden. Zeker niet exclusief: zo is haar debuut, het felrealistische Bleeker’s Zomer een subtiele exercitie in het neerzetten van de tijdgeest in de vorm van een personage. Ze publiceerde echter ook enkele boeken die zich voordoen als de ondubbelzinnige dagboeken, maar die bij nadere beschouwingen uiterst geraffineerd in elkaar zitten. Het materiaal is uit de werkelijkheid afkomstig, maar Van Keulen heeft van Alle dagen laat en Neerslag van een huwelijk een hybride tweeluik gemaakt dat het effect heeft van een grote, tragikomische roman.

 

De historische lijn werd in de twintigste eeuw uitgewerkt door auteurs als Hella S. Haasse, Renate Dorrestein en Nelleke Noordervliet. Haasse greep terug op de achttiende eeuw in Een gevaarlijke verhouding of Daal-en-bergse brieven – waarin ze het perspectief van de ‘Liasons dangereuses’ verplaatste van minnaar naar minnares. In Dubbelportret schreef ze ook over Belle van Zuylen en Charlotte Bentinck, en over de laatste zou ze ook een grote roman schrijven: Mevrouw Bentinck of Onverenigbaarheid van karakter. Ook Nelleke Noordervliet schreef diverse historische romans, waarin ze ook flink met de vorm experimenteerde: een fictief dagboek voor Multatuli’s eerste vrouw (Tine of De dalen waar het leven woont) en Vrij man – waarbij de historische context ruimte geeft aan een boeiend gedachtespel. Ook een jonge schrijver als Karin Amatmoekrin duikt de geschiedenis in: De man van veel is een boek waarin ze de onbekende feiten in het levensverhaal van Anton de Kom met verbeelding invult.


De filosofische, geëngageerde stroming werd in de jaren tachtig opvallend voortgezet door Connie Palmen. In haar werk gaan het literaire en persoonlijke hand in hand, maar vooral in haar debuutroman De wetten nog sterk vergezeld van het filosofische.
 

Het is afwachten hoe dit driestromenland zich gaat ontwikkelen. De autobiografie is traditioneel sterk aanwezig, en ook te vinden in het werk van een jonge schrijver als Marieke Lucas Rijneveld, die van haar verhalen overigens een strikt literaire ervaring maakt. Bij Maartje Wortel staat psychologie centraal, en de autobiografie omzeilt ze behendig met de aanname ‘dat autobiografisch werk niet bestaat, omdat de ander er altijd iets anders in ziet.’ De historische stroming is gepopulariseerd in het veelzijdige werk van Simone van der Vlugt – en engagement en filosofie lopen door elkaar in het werk van een nieuwe generatie schrijvers die geen onderscheid maken tussen genres: filosofie, essay en roman worden vanzelfsprekend vermengd in het werk van bijvoorbeeld Lieke Marsman, Hannah van Binsbergen en Hannah van Wieringen. Ook in het werk van Hanna Bervoets gaat theorie over de maatschappij vaak gepaard met een spannend plot: het genre van de speculatieve fictie brengt Bervoets overtuigend naar het literaire domein.

 

De letteren kunnen alle kanten op.