Het debuut

Pluk, Otje, Minoes, Floddertje, Wiplala, Abeltje en Ibbeltje – de eigenwijze personages uit de kinderboeken van Annie M.G. Schmidt (1911-1995) bezorgden de schrijfster de titel ‘ongekroonde koningin van Nederland’ en verschenen in een lange reeks vertalingen die nog altijd groeit. Maar toen Schmidt in de herfst van 1950 debuteerde bij De Arbeiderspers was dat niet als prozaschrijfster, maar als dichteres.

Het was een historische gebeurtenis, al zullen weinigen dat destijds hebben beseft. Schmidt had de voorgaande jaren naam verworven met haar columns en kinderversjes in het Amsterdamse en Rotterdamse Parool, maar een bekende schrijfster was ze nog niet. Uitgever Reinold Kuipers, die Schmidts werk al geruime tijd met belangstelling volgde, besloot tot een dubbeldebuut.

Aanvankelijk was hij vooral geïnteresseerd in haar poëzie voor volwassenen, die met onregelmatige tussenpozen verscheen in Opwaartsche Wegen, Ruim Baan, Vrij Nederland en Het Parool. Verrassend genoeg leverde dertien jaar volwassen dichterschap niet meer op dan 24 publicabele gedichten, die werden bijeenbracht in het bundeltje En wat dan nog?.  

‘Alsof er een fonteintje begon te spuiten. Alsof ik de hele tijd mijn duim erop had gehouden! En toen ik het los liet, stroomde er van alles uit’ 

Tegelijkertijd verscheen voor kinderen Het fluitketeltje en andere versjes, een bundel met een heel andere ontstaansgeschiedenis. Kuipers kon putten uit maar liefst 165 versjes die Schmidt in amper anderhalf jaar tijd bijeen had geschreven voor de kinderpagina Parool Junior. ‘Alsof er een fonteintje begon te spuiten,’ omschreef Schmidt later die productieve jaren bij de krant. ‘Alsof ik de hele tijd mijn duim erop had gehouden! En toen ik het los liet, stroomde er van alles uit.’ 

Voor die eerste kinderbundel koos Kuipers 38 versjes. Daar zaten klassiekers tussen als ‘Dikkertje Dap’, ‘Het beertje Pippeloentje’, ‘Tante en oom in Laren’ en ‘Het fluitketeltje’, het openingsgedicht. 

Waar de poëzie welwillend, maar niet overdreven enthousiast werd ontvangen, werden de kinderversjes ‘ingehaald als de revolutie in de kinderpoëzie die ze zouden betekenen’, schreef Annejet van der Zijl in 2002 in de biografie Anna. ‘Dwars in rijm, in thematiek en in moraal in vergelijking met de poëtische, schattige en vaak ook sentimentele versjes van Rie Cramer en haar navolgers die voor de oorlog als maatstaf hadden gegolden, was Annie’s werk een verademing. […] Week na week, vers na vers, [bouwde ze] een oeuvre op dat in originaliteit, creativiteit en taalmuzikaliteit in Nederland zijn weerga niet kende.’ 

‘Het is een humor die alles doordringt, die volkomen is geabsorbeerd en die geen ruimte laat voor dode plekken’

Dichter en criticus Adriaan Morriën omschreef het in 1951 zo: ‘Het is een humor die alles doordringt, die volkomen is geabsorbeerd en die geen ruimte laat voor dode plekken of inzinkingen. Een speelsheid die in staat is ons een ogenblik te verzoenen met al onze nationale vervelendheden. Kortom, deze gedichten zijn voorbeeldig en een gebeurtenis van het jaar voor ieder die achter zijn das of boord nog iets kinderlijks heeft bewaard.’ 

De kinderversjes gingen Schmidt beduidend makkelijker af dan de gedichten voor volwassenen, waar ze vaak lang op zat te piekeren. ‘Ik geloof dat ik het beste uit de voeten kan met rijmen en ritme,’ zei ze tijdens een televisie-interview in 1974 op de BRT, ‘met gedichtjes dus, versjes. Het rijmen en het ritme – en ritme betekent ook muziek, want als ik een versje schrijf of een liedje schrijf, dan hoor ik er al een beetje muziek achter of op – brengen mij in een bepaalde stemming, dat geeft mij inspiratie om door te gaan. Het heeft iets speels, het is meer het spel. En dat spelen ligt mij erg goed. Daar komt dan ook alles uit voort.’ 

Niettemin was Schmidt toen haar carrière als kinderdichteres een aanvang nam nogal nuchter over de versjes. Aan haar geliefde Dick van Duijn schreef ze in januari 1950: ‘’k Zit midden in een Stekelvarkentjes Wiegelied. Waar een mens al niet mee bezig kan zijn!’

Verder lezen over

Wim Bijmoer

In de naoorlogse jaren, toen het Nederlandse publiek hongerde naar humor en vrolijkheid, waren het Wim Bijmoers pentekeningen die zich met eigenzinnige lijnen en grote contrasten in het nationale geheugen krasten.