‘Gisteren bij thuiskomst lag het contract van Contact op me te wachten. ’t Is zeer teleurstellend’
‘Gisteren bij thuiskomst lag het contract van Contact op me te wachten. ’t Is zeer teleurstellend’
Verder lezen

De terugkeer van een Joodse schrijfster

V

an bevrijding was voor de Joodse gemeenschap maar zeer beperkt sprake: de vernietiging was vrijwel totaal. Wie het overleefd had was meestal alles kwijtgeraakt; er was in de naoorlogse Joodse gemeenschap niemand te vinden die geen familie had verloren. En de rest van Nederland, dat de vrijheid vierde, zat niet altijd op hun leed te wachten. 

De verhalen van Marga Minco zijn daarvan de schrijnende literaire weergave. Vooral wanneer ze schrijft over de terugkeer van Joden naar het bevrijde Nederland, zijn de gebeurtenissen van een zeldzame pijnlijkheid. ‘Het adres’ is sinds 2019 een van Minco’s beroemdste verhalen. Het werd, toen ze in dat jaar de P.C. Hooft-prijs ontving, uitgegeven met een reconstructie van de geschiedenis over een Nederlandse familie die spullen niet wilde teruggeven die ze in bewaring hadden gekregen, en voor wie het overleven van die dochter eigenlijk maar wat ongemakkelijk was. 

De pijnlijke geschiedenis achter ‘Het adres’ +

In ‘Het adres’ reist een Joodse vrouw wier hele familie in de oorlog is vermoord, na de bevrijding naar de Amersfoortse kennissen die een deel van de huisraad van het gezin in bewaring hadden genomen. De familie weigert echter de spullen te overhandigen – op wat theelepeltjes na. Toen Marga Minco in 2019 de P.C. Hooft-prijs in ontvangst nam, kwam een ongelukkig toeval aan het licht: de voorzitter van de stichting P.C. Hooft-prijs bleek de kleinzoon van de vrouw die destijds had geweigerd Minco de bezittingen van haar familie terug te geven. 

-

Ook Sonja Witstein werd geconfronteerd met botte afwijzing, al was het van een andere orde. Witstein was twintig toen de oorlog uitbrak, geen schrijfster nog, maar wel een verwoed lezer. Ze zat bij een leesclub: de ‘Wevers’, waarvan ook Louis Tiessen deel uitmaakte. Met hem raakte ze goed bevriend en toen ze moest onderduiken, gaf ze het manuscript van een novelle in bewaring. 
 

Leesclub de Wevers in 1942. V.l.n.r.: staand J.B.W. Versfelt en Louis Tiessen, zittend Sonja Witstein, Emilie Schade en mevrouw Versfelt in Huize Fokkenbosch, omgeving Leusden

Witstein werd met haar ouders gedeporteerd. Ze overleefde Auschwitz als enige van het gezin, en het duurde enige tijd voor ze de bekenden van toen weer opzocht. Tiessen had ondertussen haar manuscript gelezen en het beviel hem zozeer dat hij er een uitgever voor zocht. Dat werd Contact – dat tijdens de oorlog veel schrijvers had geholpen die niet konden publiceren, en dat een jaar later ook het dagboek van Anne Frank zou uitgeven. Tiessen herinnert het zich in het tijdschrift Zacht lawijd in 2005 als volgt: 
 

Ik waande haar in Auschwitz omgekomen en bracht dit manuscript drie maanden na de bevrijding naar de Amsterdamse uitgeverij Contact. Kees Lekkerkerker, die daar redacteur was, sprak meteen van een meesterwerk. Eind augustus 1945 ontving ik tot mijn niet te beschrijven vreugde weer een levensteken van haar en korte tijd later verbleef zij enkele dagen bij ons. Haar reactie op de aanstaande uitgave van haar novelle: ‘Zoiets enorms had ik nooit kunnen dromen. Het is de grootste vriendendienst die je hebt kunnen bewijzen’.

Dat laatste staat in de brief die Witstein hem op 16 augustus 1945 stuurt, een brief waarin pijnlijk goed is verwoord hoe moeilijk het valt om het leven weer op te pakken: 
 

Je wilt het natuurlijk niet geloven, maar het lezen van jouw brief heeft me de eerste gelukkige momenten gegeven sedert ik in Holland ben. […] Misschien vind je ’t vreemd dat ik opeens zo dringend tegen je spreek, maar mijn gevoelsleven is van dien aard, dat ik nog vreselijk onevenwichtig ben en hevig emotioneel.

En niet alleen haar leven ligt overhoop, ook de literaire, culturele, kunstzinnige context is kapot. En je begrijpt uit deze brief de wens om terug te grijpen op het literaire leven van voor de oorlog, in plaats van onmiddellijk te gaan vernieuwen: ‘Wij hebben elkaar leren verstaan in een tijd dat ik me onbezorgd mocht overgeven aan alle schone dingen die het leven in zich borg, aan litteratuur, muziek, wetenschap.’
 

Maar de vreugde over de uitgave bleef niet zo ondubbelzinnig, want het ging wel heel snel allemaal. Het feit dat er nu opeens een kritische auteur in het proces was opgedoken, was voor Contact beetje onpraktisch. Ze wordt uitgenodigd voor een gesprek op kantoor, waar met enthousiasme over de uitgave wordt gesproken en plannen voor de toekomst worden gemaakt. Het duurt even voordat de uitgeverij een contract stuurt en Witstein is er niet blij mee: ‘Gisteren bij thuiskomst lag het contract van Contact op me te wachten. ’t Is zeer teleurstellend,’ schrijft ze Tiessen. Tijdens het gesprek was het veel rooskleuriger voorgesteld dan nu op papier is vastgelegd. ‘Ik begrijp overigens L[ekkerkerker] niet. Is dat zo’n fantast? Waarom zulke mooie voorspiegelingen gedaan?’ 

Er ontspint zich een korte discussie en het voorschot gaat weer wat omhoog, maar de percentages blijven hetzelfde. Uitgever Gilles de Neve legt in een wat pinnige brief uit: ‘Tegen het inkorten van de optietermijn van drie jaar tot twee desnoods één jaar, hebben wij geen bezwaar. De verhouding tusschen auteur en uitgever heeft alleen dan zin, indien beide partijen de samenwerking op prijs stellen.’ 

Daarna verschijnt Bekentenis aan Julien Delande in 1946 in de Proloog-reeks. Het is een korte en stevige novelle, die met waarderende woorden werd ontvangen door W.F. Hermans en Anna Blaman (met wie ze bevriend raakte). De grootste lof kwam misschien wel in de vorm van een negatieve recensie voor het tijdschrift Ontmoeting, dat zich stoorde aan de ‘infame moraal’ maar wel moest vaststellen dat het ‘onbegrijpelijk knap geschreven en even onbegrijpelijk knap van bouw en psychologie’ is. 

Toch was dit niet het begin van een carrière als romanschrijver, want Witstein raakte er al snel van overtuigd dat ze geen schrijver was. Ze zou weliswaar nog enkele verhalen schrijven, maar die werden niet meer bij Contact uitgegeven. Ze wordt hoogleraar historische letterkunde in Leiden en zou afscheid nemen van het literaire schrijverschap. Ook het contact met Tiessen werd verbroken; Witstein begon opnieuw, alweer.
 

Volgend hoofdstuk

Van veelbelovend naar fout: Henri Bruning, deel 3

Iets minder dan een jaar na het publicatieverbod begon Bruning de pijn ook in het dagelijks leven hard te voelen. Voor hem en zijn gezin is een onvoorziene en ongewenste situatie ontstaan, legt hij uit in een brief aan Roland Holst, zijn strohalm in de letterenwereld.

Hoofdstuk openen