‘Daar is naast feestgejoel
Een ernstig bezinnen,
Wij staan niet aan het eind
Maar aan een nieuw beginnen’
‘Daar is naast feestgejoel
Een ernstig bezinnen,
Wij staan niet aan het eind
Maar aan een nieuw beginnen’
Verder lezen

Hoe schrijvers de oorlog verwerken

I

n de eerste dagen na de oorlog werd veel geschreven over de bevrijding. In die gedichten weerklonk de persoonlijke vreugde, maar schrijvers voelden een zekere verantwoordelijkheid om zich te presenteren als de spreekbuis van het land. Ida Gerhardt bijvoorbeeld verwoordt in haar gedicht over de bevrijding meer het nationale bewustzijn dan haar eigen, persoonlijke emoties. De opluchting en de wens opnieuw te beginnen overheersen in haar vrijheidsgedicht ‘Een nieuw lied’:

5 Mei 1945

 

Ik sloeg de luiken open, –
daar lag het groene land,
van licht en wind belopen
van wateren omrand.
Hoe schoon lag het te blinken
die morgen in de Mei!
        Mijn fonklend land was vrij.

Ook Ina Boudier-Bakker volgde de ontwikkelingen in haar werk op de voet. Ze hield een dagboek bij, en daarnaast verwerkte ze de oorlogservaring in dichtvorm. De dichterlijke versie werd het eerst gepubliceerd, kort na de oorlog al, onder de titel Geef acht!. Het gedicht dat in april 1945 werd geschreven (‘Wij wachten’) eindigde met de regels: ‘Mijn God! We zijn zoo moe van strijd! / Gééf Gij ons ’t eindelijk: bevrijd!’. Een maand later was het zover, en in een gedicht ‘Ommekeer’ worden de emoties zo omschreven: 
 

Kàn ons hart deez’ vreugde nog omvangen
Dat zo vol van kwelling is geweest?

Het is duidelijk dat de pijn niet in één keer weg kan zijn, en de vraag of het wel mogelijk is om de bevrijding echt te vieren wordt nog drie keer gesteld, totdat ze dan vaststelt: ‘Ja, het kàn!’ Maar dat neemt niet weg dat de ‘bittere tranen’ niet zomaar vergeten zijn. En in het gedicht ‘Vrede’, van twee dagen later, waarmee de bundel besluit, noteert Boudier-Bakker: 
 

Daar is naast feestgejoel
        Een ernstig bezinnen,
Wij staan niet aan het eind
        Maar aan een nieuw beginnen. 

Ina Boudier-Bakker

Boudier-Bakker was iemand die de werkelijkheid bij voorkeur schrijvend probeerde te verwerken. Ze begon op 10 mei 1940 onmiddellijk met een dagboek, dat net als de oorlogsgedichten in boekvorm zou verschijnen, zij het pas dertig jaar na de oorlog: Met de tanden op elkaar. Vanaf de eerste regels (‘Om half 4 werd ik wakker door geluid, dat ik niet dadelijk begreep. Hendrik zei: “Er wordt geschoten – vliegtuigjes”’) noteert ze alle ervaringen, bijna als een verslaggever. Ook het verhaal rondom de Bevrijdingsdagen noteert ze uitgebreid, en met gevoel voor spanning. Want vanaf 5 mei is er vrijheid, maar de Duitsers zijn nog niet weg, en niemand durft de vlag uit te laten hangen: ‘Stille dag,’ schrijft ze over 6 mei. ‘De feestvreugde terneergeslagen door het aldoor uitstellen van de intocht.’ Een dag later wordt er wel feestgevierd, het Wilhelmus gezongen, maar Boudier-Bakker heeft ook oog voor de mishandeling van meisjes die Duitse soldatenvriendjes hadden gehad:  ‘’t volk heeft de meisjes, die aldoor met Duitse soldaten hebben gelopen, kaal geknipt-soms nog met teer in­gewreven, en daarop een rood hakenkreuz. Er zijn daarbij ook ernstige mishandelingen gebeurd: meisjes in ’t water gegooid.’ 

Met minachting schrijft ze over de Nederlandse nazi’s: ‘Mussert, Geelkerken, Blokzijl; geen van hen heeft de moed gehad te doen wat de grote Nazi­bonzen in Duitsland deden, vóór hun gevangenschap: zelfmoord plegen. De schurk Himmler vergiftigde zich tijdens zijn gevangenschap. ’t Lijk van Hitler is nooit gevonden; ’t heet verbrand. Göring alleen is gevangen. Goebbels vergiftigde zich met zijn vrouw en kinderen.’ 

Ook M. Vasalis hield een dagboek bij, en zij publiceerde al wel meteen na de oorlog enkele fragmenten, in het tijdschrift Criterium. Ze is zuiniger met woorden dan Boudier-Bakker. De problemen die haar in de hongerwinter kwellen zijn groot, maar ze schrijft er gortdroog over:

Het dooit. Vanochtend dacht ik dat ik lag te luisteren naar een dichte regen, maar het was een lek in de geyser. Het regende in de badkamer. De aardappelen en de meubeltjes van oom Johan stroomden onder.

De voorraden geïnspecteerd, valt niet erg mee.

Enkele dagen later, nog onderkoelder, maar daarom wel zeer effectief: ‘Eerste lente-dag. Daar kunnen we niet meer tegen.’ Een kleine drie maanden later, op 7 mei 1945, bevat het dagboek slechts het woord ‘Vrede’. Expliciete vreugde is er niet – en het kost haar ook veel moeite om in de maanden daarna weer aan het schrijfwerk te gaan, de ‘futiliteit, de infantiliteit van de menschen in het algemeen en wij in het bijzonder’ kwellen haar. 

Haar tweede bundel heet De vogel Phoenix en verschijnt in 1947. De oorlog komt er maar één keer in voor, de beroemde regel: ‘Ik droomde in de oorlog, dat het oorlog was.’ Vasalis hield afstand. 

 

Volgend hoofdstuk

Paniek en verontwaardiging: de willekeur van de Eereraad

Om met een schone lei aan het culturele leven te beginnen was een zuivering nodig: schrijvers die de kant van de Duitsers hadden gekozen moesten uit de letteren verdwijnen. Maar veel schrijvers hadden zich pragmatisch opgesteld, in hoeverre moest dat veroordeeld worden?

Hoofdstuk openen