De utopische katholiek: Kellendonk
en het Verbond

‘Gelovige mensen zijn makkelijker om mee te praten omdat ze weten wat wat is, wat van God en wat des keizers. Alleen al uit het oogpunt van geestelijke hygiëne is het geloof onontbeerlijk.’

Kellendonk aan Gerard Reve, 15 november 1986

‘Gelovige mensen zijn makkelijker om mee te praten omdat ze weten wat wat is, wat van God en wat des keizers. Alleen al uit het oogpunt van geestelijke hygiëne is het geloof onontbeerlijk.’
Toon hoofdstukken

‘Ik ben van oorsprong een katholiek en ik zou zielsgraag opnieuw een katholiek willen worden,’ aldus Frans Kellendonk in 1983 in een interview met P.F. Thomése. Opgegroeid in een rooms-katholiek milieu in Nijmegen behield de schrijver altijd een sterke affiniteit met het katholicisme, ook al ging hij, eenmaal volwassen, maar hoogst zelden naar de kerk en was hij geen gelovige in de traditionele zin van het woord. Toch kan Kellendonk een katholiek schrijver worden genoemd.

De erfzonde

In het essay ‘Beeld en gelijkenis’, Kellendonks bijdrage aan de bundel Over God (1983), haalde de schrijver herinneringen op aan zijn katholieke jeugd. Vooral de plastische omschrijvingen van de pastoor zijn van een Vestdijkachtige gedenkwaardigheid: ‘Hij was klein en rond en zijn gezicht was zo rooddooraderd dat het, de huidcrème die hij erop aanbracht ten spijt, in een netje leek te hangen, als een nieuwe plastic voetbal.’ Een fanatieke invalkapelaan bracht de jonge Frans in aanraking met het leerstuk van de erfzonde, een ware ‘openbaring’ voor de jongen die gebukt ging onder een monumentaal maar tot op dat moment onverklaarbaar schaamtegevoel.

 

Het katholieke dogma van de erfzonde heeft alles te maken met het onderscheid tussen goed en kwaad en met de vergankelijkheid van het aardse bestaan – in de Bijbel worden Adam en Eva zich bewust van hun sterfelijkheid nadat zij van de boom van de kennis van goed en kwaad hebben gegeten. Sinds die ‘zondeval’ is ieder mens bij geboorte van nature zondig. De kapelaan vertelde Frans dat die erfzonde een vloek maar ook een zegen is. Zijn schaamte was schuldgevoel, een afschaduwing van de erfzonde, het besef onontkoombaar tekort te schieten. Een diepe ellende veroorzakend besef, maar uit die ellende is ook veel ‘wonderbaarlijke kunst’ voortgekomen en ze biedt daarmee een opening voor de mens om zich voor even ‘godgelijk’ te wanen: de romanschrijver als Jezus Christus.

 

Zijn godsbewijs vond Kellendonk paradoxaal genoeg bij een verlichtingsdenker: in het rationalisme van ‘de godloochenaar Hume’, de Schotse filosoof die aantoonde dat er geen noodzakelijk verband bestaat tussen gebeurtenissen in de werkelijkheid waarvan wij geneigd zijn ze in een relatie van oorzaak en gevolg te situeren:

Nu ik inzag dat niet één moment in de geschiedenis noodzakelijkerwijs volgde uit enig voorafgaand moment, kon ik er niet onderuit dat God Zich nog voltijds met Zijn schepping moet bemoeien.

God is voor Kellendonk aldus ‘de Schepper, de Kunstenaar’ die onophoudelijk schaaft aan Zijn schepping, en daarin vindt hij als literator zijn evenbeeld. God schept de werkelijkheid, maar die schept Hem ook, zoals een schrijver een eigen werkelijkheid creëert, maar ook pas de schrijver wordt die hij is via zijn creaties.


Nadat Kellendonk zijn godsbeeld uiteen heeft gezet, stelt hij aarzelend de cruciale vraag: ‘En eh… geloof ik ook in die God van mij?’ Het punt is dat Kellendonk heel goed beseft dat zijn godsbeeld gestoeld is op utopisch denken, op een diep gevoelde overtuiging dat het bestaan van God voor zijn gevoel ‘noodzakelijk’ is. Het naakte feit dat de mens bestaat en het gegeven dat het leven voor het grootste gedeelte in het teken staat van gedoe ‘schreeuwen om de rechtvaardiging van een transcendent verband’. Hij noemt zijn godsbegrip dan ook ‘niet meer dan een fraaie constructie’: ‘Ik heb in het hart van de schepping een leemte ontdekt waar God, als Hij bestaat, mooi in zou passen, maar helaas is het niet zo dat het geloof begint waar het verstand ophoudt.’ God is een ‘nuttige fictie’, heet het in de lezing ‘Idolen’.

De grote woorden

In 1987 verzorgde Kellendonk de Albert Verwey-lezingen in de Pieterskerk te Leiden. Hij gaf daarbij zijn interpretatie van de Altaergeheimenissen (1645) van Vondel, een indrukwekkend leerdicht over de eucharistie. Aan de gebundelde lezingen (1988) voegde Kellendonk een nawoord toe waarin hij zichzelf opnieuw de vraag voorlegde: ‘Geloof je daar nu ook zelf in, in God, Hemel, Heilig, al die grote woorden van Vondel?’
 

‘Ik lees Vondel,’ zo verklaart Kellendonk zijn onderwerpkeuze, ‘omdat juist in deze post-christelijke tijd het christendom opnieuw een uitdaging is geworden’. Hij bekent dat hij daadwerkelijk in de grote woorden van Vondel gelooft, maar dat men ‘geloven’ daarbij niet in de ‘vulgaire’ betekenis van ‘voor waar aannemen zonder bewijs’ moet begrijpen, maar als ‘een werkzaamheid van de scheppende verbeelding’ waardoor die grote woorden een andere invulling krijgen. Om dit uit te leggen neemt Kellendonk een wetenschapsfilosofische omweg, waarin hij het rationalisme een ten diepste religieus systeem noemt, een vervangende metafysica:

Alle wetenschappelijke ondernemingen, van de speurtocht naar de steen der wijzen tot het onderzoek naar het kleinste elementaire deeltje, hebben aangenomen dat de wereld rationeel geordend is rond een geheim, een kern, en die kern noemen we de waarheid. Dat is het grote woord uit naam waarvan zoveel andere grote woorden – God, het goede, het schone – ontmaskerd zijn, maar het is tevens het punt waarop het rationalisme wel degelijk een metafysisch geloof blijkt te zijn. Het gelooft in een transcendente waarheid.

Volgens de meest recente natuurwetenschappelijke inzichten is het idee van een objectief waarneembare werkelijkheid echter een illusie, stelt Kellendonk. De objectieve wereld die we menen waar te nemen is een projectie van die waarneming, en niet de ware werkelijkheid. In ‘Idolen’ schreef hij al dat er ‘dus niet meer zo bar veel verschil tussen de exacte wetenschappen enerzijds en anderzijds de religie, de metafysica, de kunst’ bestaat. Alle zijn manieren om het mysterieuze aardse bestaan ‘voor menselijke bewoning geschikt te maken, en de ene manier is niet per se objectiever dan de andere’.

 

Kellendonk gaat hier wel wat rücksichtslos te werk – in feite kwamen de kwantumfysici tot het inzicht dat de waarneming van de werkelijkheid die waargenomen werkelijkheid beïnvloedde, niet dat zij zonder die projectie niet bestond –, maar voor zijn redenering is het een belangrijke stap. Dit inzicht betekent namelijk het einde van het Verlichtingsdenken, van het geloof in wetenschappelijke vooruitgang, van het rationele ‘monisme’. In de plaats daarvan is het westerse ‘pluralisme’ gekomen: ‘Leven en laten leven’, tolerantie voor iedereen en vrijheid blijheid. De dagelijkse werkelijkheid is evenwel een harde leerschool, want in de praktijk komt het neer op ‘ieder voor zich, en de economie voor ons allen’.

 

Daarom pleit Kellendonk voor een terugkeer naar ‘het primitieve ontzag van de holbewoner’, een tijd waarin de grote woorden ‘het leven hebben geheiligd in plaats van vernietigd, de menselijke maat hebben geëerd en niet gekleineerd’, en ze nog gemeenschap stichtend waren. Daarom is het nodig de grote woorden te ‘reconstrueren’, ‘omdat je misschien wel die grote woorden kunt afschaffen, maar niet het verlangen waarvan ze altijd hebben geleefd’. God, eeuwigheid, het goede, het schone – ze moeten worden ontdaan van hun heilige, absolute karakter, betoogt Kellendonk, en tot aardse proporties worden teruggebracht: tot uitingen van verlangen, heilzame verzinsels. ‘De religie van de hemel moet een religie van de aarde worden. Geloof is dan geen zekerheid, maar schepping. Betekenis wordt dan niet ontdekt, maar gegeven. Oorsprong en doel staan niet buiten de geschiedenis, het zijn verzinsels die de geschiedenis van binnenuit vorm geven.’

Het Verbond

Het sprankelende Mystiek lichaam is Kellendonks poging die ambitie vorm te geven en op haar mogelijkheden en manco’s te onderzoeken. De titel van de roman wijst al op een religieuze benadering. In de katholieke leer vormen, naar de eerste brief van Paulus aan de christenen van Korinthe, alle gelovigen gezamenlijk het ene mystieke lichaam (corpus mysticum), oftewel de Kerk, met aan het hoofd ervan Christus. In Kellendonks visie is de ideale samenleving ook zo’n bezield verband waarbinnen ieder individu zijn plaats heeft. In het interview met Thomése benadrukte hij de sociaal-maatschappelijke waarde ervan: ‘Als iedereen het gevoel heeft in hetzelfde verband te zijn opgenomen, wordt de communicatie tussen mensen een stuk gemakkelijker.’

Velletje met aantekeningen die verwijzen naar het begrip ‘mystiek lichaam’, te vinden in de eerste brief van Paulus aan de Korinthiërs. ‘De man is het hoofd van de vrouw / zoals Christus het hoofd is der Kerk’.
(1 / 2)
Aantekening over het ‘Verbond’ tussen God en de gelovigen: ‘Kerk is de bruid van Christus, de geschiedenis vd Kerk is de “bruidsdans” van Christus en zijn bruid.’
(2 / 2)

Een ander belangrijk begrip is dat van het ‘Verbond’. In de joods-christelijke traditie is het huwelijk tussen man en vrouw een afspiegeling van het Verbond tussen hemel en aarde, tussen God en de mens. Het huwelijk hernieuwt dit Verbond en het nageslacht dat uit het huwelijk voortkomt zorgt voor de continuïteit ervan. De ‘geschiedenis van het vlees’ garandeert aldus de voortgang van ‘de’ Geschiedenis. De mens kan hierdoor zijn of haar sterfelijkheid gemakkelijker accepteren, want de voortgaande geschiedenis van het vlees is sterker dan de enkelvoudige dood.

 

In Mystiek lichaam vindt A.W. Gijselhart gemoedsrust na de geboorte van zijn kleinzoon: ‘Het gezin heb ik maar overgeslagen, zo goed en kwaad als het ging, en nu op mijn oude dag heb ik een familie gesticht, van ineens drie generaties. […] Een heilige familie noem ik zoiets’. Uit het manuscript van Mystiek lichaam blijkt overigens dat Kellendonk Bruno Pechman eerst Max Heiliger wilde noemen.

Homoseksuelen leveren binnen deze constellatie geen bijdrage aan de Geschiedenis, omdat zij geen kinderen verwekken en dus per definitie buiten het Verbond vallen. Mystiek lichaam is onder meer een poging van Kellendonk om de ‘existentiële’ implicaties hiervan voor de homoseksueel te leren begrijpen. Maar ook kinderloze echtparen vallen erbuiten, zoals de Brusselse bruidsnacht in Mystiek lichaam laat zien. Het huwelijk van Scott en Liliane is een verstandshuwelijk, ze voelen geen enkele aandrang het te consummeren: ‘ze hadden gezworen om vannacht het huwelijk van hemel en aarde te voltrekken, maar hoe konden ze die eed ooit gestand doen, deze vreemdelingen voor de verbondsbelofte?’

 

Kellendonk voert dan voor de eerste keer een abstract, allegorisch personage ten tonele, een ‘geest’ die in het laatste deel van de roman als ‘de Geschiedenis’ zal worden geïdentificeerd en die het stichten van een gezin vergelijkt met het verbond dat de kerk vormt:

De geest waarin ze tot één mystiek lichaam waren gedoopt begon aardig rond te spoken in de bruidskamer. Die geest rook mensenvlees. Die geest eiste gemeenschap. Word één lichaam! commandeerde hij. Bouw uit die ribben en knoken van jullie, op deze matras, maar eens een kerk!

Deze zinnen besloten in een vroege versie de aanbiedingstekst van de roman; ze bevatten de kern van Mystiek lichaam.

Bed en kerk

Frans Kellendonk was een religieus schrijver, een auteur die een katholieke – universele, verbindende – visie op de ideale samenleving tentoonspreidde. Mystiek lichaam is onder meer een poging om te onderzoeken welke kracht de grote, gemeenschap stichtende woorden in onze postchristelijke samenleving nog hebben. In Vrij Nederland verklaarde Kellendonk zijn ambities met de roman als volgt: ‘Het denkbeeld van het verbond ligt aan de wortels van onze beschaving en in Mystiek lichaam heb ik willen schrijven over de vitaliteit ervan, maar ook over de crisis waarin het verkeert.’
 

In een brief aan Pieter Kottman definieerde Kellendonk religie als ‘het weer verbinden van wat verbroken is’. Liefde, als ‘praktijk van de religie’, is het enige middel voor de mens om deel te hebben aan 'een bovenpersoonlijke eenheid’. Kellendonk zag ‘een diep verband tussen het bed en de Kerk’: ‘Paulus draagt de geliefden van Ephesus op om één vlees, één lichaam te worden, zoals ook de Kerk één lichaam is, het mystieke lichaam van Christus (dat is precies de reden waarom er maar één ware Kerk kan bestaan). Ik ken geen andere gedachte die zo mooi en hoopvol is.’