Familieportret bij de bruiloft van dochter Dora Beets in 1892

Beets als gezinshoofd

Een kinderrijk gezin

O

nder zijn Leidse professoren vindt Nicolaas Beets een mentor in de bejaarde theoloog en dichter J.H. van der Palm, voormalig Agent van Nationale Opvoeding (een soort minister van onderwijs) en befaamd als redenaar. De student komt vaak bij hem over de vloer, ook om mee te eten, een spelletje omber te spelen of voor te dragen. In 1842 zal hij een biografie aan deze leidsman wijden. Wat hen extra bindt, is dat Beets zich in 1836 verloofd heeft met Van der Palms kleindochter jonkvrouw Alida – Beets noemt haar Aleide – van Foreest, de zus van zijn studievriend jonkheer Cornelis van Foreest. 

In zijn verlovingsjaren logeert Beets veel bij hun ouders op het landgoed Nijenburgh bij Alkmaar en Heiloo, waar ook Johannes Hasebroek, Johannes Kneppelhout en E.J. Potgieter wel eens op bezoek zijn. De gastvrijheid van de familie van Foreest inspireert Beets tot een getekend en gedicht alfabet.

Voor Aleides jongste zusje Keetje tekent Beets nog een tweede (niet compleet bewaard) ABC, waarin hij kennelijk taferelen verbeeldt uit studenten- en aristocratische kringen, zoals een ‘Bal’, een ‘Concert’ en ‘Gasten’, naast een zinnebeeldige voorstelling van ‘Leyden’ en twee dronken ‘Kikvorschen’ die de tapperij In De Vroolijke Kikkertjens – ‘Vrij rum en bier’ – verlaten. Beets en Aleide trouwen in 1840. Hasebroek zegent hun huwelijk in.

Aleide is een kunstzinnige echtgenote en Beets is erg verknocht aan haar. Zij wonen eerst in Heemstede, waar hij zijn loopbaan als dominee is begonnen, en later in Utrecht, waarheen hij in 1854 beroepen wordt. Ze krijgen vier dochters en vijf zonen. Drie zonen overlijden voordat ze volwassen zijn. In het gedicht ‘Herinnering’ denkt Beets terug aan zijn zoontje Nicolaas:

Neen, ducht niet dat ons hart, lief jongsken! u vergeet,

Schoon reeds ten derdemaal, de herfstwind, in zijn waren,

Uw grafje onkenbaar maakt met afgescheurde blaren,
En immers, sinds een tweetal jaren,

Een dochtertje in ons huis uw leege plaats bekleedt.

Neen, ducht niet dat uw beeld terugwijkt uit onze oogen,

Te midden van de vreugd, die thans ons hart vervult,

Waaraan we op nieuw, Godlof! van blijdschap opgetogen,

Een aardig wichtje drukken mogen....
Neen, ducht niet, dat gij ooit vergeten worden zult.

 

Der oudren hart is trouw: het laat zijn kroost niet varen,

Al offren zij het Gode en leggen ’t welgemoed
Terneer in ’t donker graf, om voorts omhoog te staren;

Geen nacht des doods, geen macht der jaren,

Scheidt hen volkomen van hun bloed;
Geen nieuwe vadervreugd, geen andre moedersmarte,

Geen goddelijke troost, geen bovenaardsche vreê

Verdooft zijn beeltnis in dat harte,
Dat nooit zijn kindren telt, of telt de dooden mee.

In 1856, een jaar voor de dood van zowel de oudste als de jongste zoon, sterft Aleide zelf, achtendertig jaar oud, als gevolg van haar laatste bevalling. In het gedicht ‘Bij haar graf’ troost Beets zijn jongens:

Mijn kind’ren! lieve Zonen!

Vlucht tot dien Vader heen!

Hij zal zich vader toonen

Aan U en mij meteen.

Hij zal, in deze smarte,

Uw vader en zijn kroost

Vertroosten aan zijn harte,

Gelijk een Moeder troost.

In een ander gedicht, ‘Wanneer de kinderen groot zijn’, verwoordt Beets welke plannen Aleide en hij hebben gehad voor later, wanneer zij weer tijd zou krijgen om haar penseel en boeken ter hand te nemen en met haar man mee op reis te gaan. Het mocht er niet van komen:

Ai mij! Daar breekt op eenmaal, dat dierbaar leven af!

De kindren worden grooter, – maar op hun moeders graf.

Er zijn vele blijken van medeleven met de inmiddels beroemde dominee, reden waarom hij een preek uitgeeft die hij tien dagen na Aleides dood heeft gehouden onder de titel Lijden dienstbaar aan eeuwig heil. Voor in de brochure laat hij afdrukken: ‘Aan de gemeenten van UTRECHT en HEEMSTEDE en alle bekende en onbekende VRIENDEN in het lieve vaderland, die hem op de hartelijkste wijze hunne deelneming in het smartelijk verlies zijner GELIEFDE ECHTGENOOTE, overleden VIII Mei MDCCCLVI, hebben betoond, wordt deze korte rede, tot eigen en anderer bemoediging uitgesproken en nu op vriendelijken aandrang van velen hunner gedrukt, opgedragen door NICOLAAS BEETS.’ Later, in 1878, moet de beproefde dichter eveneens twee volwassen dochters begraven, en in 1889 nog zijn inmiddels getrouwde pleegkind Clara Höfer-Gewin, dochter van zijn overleden vriend Bernard Gewin.

Potloodtekening door Jacoba van Foreest, ongedateerd

Beets hertrouwt in 1859 met Aleides jongere zus Jacoba Elizabeth en vindt zo een nieuwe en artistiek begaafde moeder voor zijn zes overgebleven kinderen:

Geen kind was haar geboren,

Toch had zij er één meer dan vijf;

Die noemden haar ‘lieve moeder’,

En hingen haar aan het lijf.

 

Die zeiden met lachjes en traantjes,

En stemmetjes teeder en fijn:
‘Ons moedertje heeft ons verlaten,

Maar gij zult ons moedertje zijn!’

Zelf brengt Jacoba – roepnaam: Coos – nog eens drie dochters en drie zonen ter wereld, van wie er een na een jaar overlijdt, in 1869. Aan zijn tweede vrouw is Beets wederom zeer gehecht. Bijna 45 jaar zijn ze getrouwd geweest; zij overleeft hem en sterft in 1907. Steun en toeverlaat in zijn laatste levensjaren is ook hun ongehuwde dochter Aleide, die bij haar ouders is blijven wonen.