Leesglas van Nicolaas Beets

Beets als jongen

In de voetsporen van Willem Bilderdijk

O

p 13 september 1814 komt Nicolaas Beets ter wereld in het gezin van Maria Elisabeth de Waal Malefijt en Martinus Nicolaas Beets, apotheker en vanaf 1824 tevens lector in de scheikunde, artsenijmengkunde en kruidkunde aan de plaatselijke Klinische School. Zo zal Nicolaas terugdenken aan zijn geboortestad:

Tusschen bosschen, beemden, duinen,

Ligt de grijze Spaarnestad
Midden in haar rijke tuinen
Als een steen in goud gevat:

Daar heeft mij het eerst beschenen

’t Licht van een Septemberdag,
Die op mijn mistroostig weenen

Met een glimlach nederzag.

Het gezin Beets telt drie zonen en vier dochters. Nicolaas zal er goede herinneringen aan bewaren en zijn ouders later eren door zijn eerste bundel Gedichten (1838) aan hen op te dragen. Hij blijft lief en leed delen met zijn familie, zoals blijkt uit diverse gelegenheidsgedichten. Zo troost hij in 1846 zijn vader en moeder na de dood van zijn twintigjarige zus Johanna Jacoba.

Als zijn moeder, verkerend ‘op den rand van ’t graf’, niet meer in staat is de bruiloft van zijn jongste zus Ada Geertruide bij te wonen, brengt Nicolaas in verzen hun moeders zegen over. Een speciale relatie heeft hij met zijn oudste zus Dorothea Petronella. Als Serena vereeuwigt hij haar herhaaldelijk in zijn poëzie en hij draagt haar zijn dichtstuk Jose (1834) op. Zij delen literaire aspiraties. In 1861 publiceert ze anoniem haar roman Onze buurt, door een Ongenoemde, dat diverse herdrukken krijgt en dat Nicolaas vanaf de tweede druk vergezeld doet gaan van een aanbevelend voorwoord. Ze trouwt met de bekende Haarlemse boekhandelaar Pieter François Bohn, die een van de vaste uitgevers van zijn zwager wordt.

 

Nicolaas – Klaas voor familieleden en vrienden – bezoekt in Haarlem de Hollandse school van de fameuze onderwijzer P.J. Prinsen, grondlegger van het klassikale leesonderwijs, en vervolgens de Franse en de Latijnse school. Daarnaast krijgt hij huisonderricht van de even bekende onderwijzer Nicolaas Anslijn, auteur van het tientallen malen herdrukte pedagogische werkje De brave Hendrik, waarop Beets na Anslijns dood met veel sympathie zal terugzien. Tot Beets’ jeugdvrienden behoren de uitgever in spe Arie Kruseman, met wie hij in Leiden zal gaan studeren en bij wie hij later wel eens publiceert, en de toekomstige schrijver en vertaler John Ingram Lockhart, afkomstig uit een in Haarlem neergestreken Brits gezin. Door zijn omgang met hem ontwikkelt Beets een grote taalvaardigheid in het Engels. Lockhart laat hem kennismaken met het werk van Lord Byron en andere Engelse dichters, met Lawrence Sterne en Walter Scott, wiens ‘Lay of the Last Minstrel’ Beets vertaalt. Nog in 1871 woont hij een Scott-herdenking bij in Edinburgh, waar hij met onder anderen Ivan Toergenjev tot de speciale gasten behoort en een toost, uitgebracht op de buitenlandse Scott-bewonderaars, welsprekend beantwoordt.

Ook dichter bij huis vindt de jonge Beets enkele voorbeelden. Zo heeft hij veel respect voor de Haarlemse dichter en tragedieschrijver Jan van Walré en een uitgesproken en levenslange verering ontwikkelt hij voor hun stadgenoot Willem Bilderdijk. Deze ontmoet hij weliswaar nooit persoonlijk, maar Bilderdijks begrafenis mag hij wel bijwonen, wellicht omdat hij als zeventienjarige al een treurdicht ‘Bij den dood van Vrouwe Katharina Wilhelmina Bilderdijk, geb. Schweickhart, † 10 April 1830’ afgedrukt heeft gekregen in de Nederlandsche Muzen-almanak, met een aanmoedigend woord van uitgever Johannes Immerzeel:

Treurt, Negen Zusteren, treurt! Treurt Heliconiaden!

Stelt op een sombren toon het nokkend lijklied in,

Trekt uit het starrenkleed, rukt af de feestsieraden!

Gij telt een priesteres te min.

Van zijn blijvende bewondering voor Bilderdijk zal Beets bijvoorbeeld in 1885 getuigen, als hij voor de Haarlemsche Kunstenaarskring als redenaar optreedt bij een herdenking van de grote dichter en geleerde, de herinnering ophalend hoe hij hem als jongen op eerbiedige afstand naliep op straat.

Zijn literaire bezieling kan de jonge Beets eveneens uitleven in het gezelschap Utilitati et Delectationi (Nut en Vermaak). Onder het pseudoniem Hilaris Laetus (Blijgeestige) stelt hij hiervoor in 1830 een handgeschreven bundel Gezelschaps-Liederen samen onder het aan Horatius ontleende motto ‘Oderunt hilarem tristes, tristemque jocosi’ (De somberen haten de vrolijken en de vrolijken de somberen).

De verzamelde liederen zouden gezongen moeten worden tijdens de bijeenkomsten van de kring. In een jolig, in quasi-Oudnederlands geschreven voorwoord draagt Hilaris Laetus zijn medeleden op de inhoud van de bundel over te schrijven en ze niet prijs te geven aan de buitenwacht. Die zou er trouwens weinig verrassends in aangetroffen hebben: het zijn teksten op bekende melodieën over wat puberjongens zoal interesseert, zoals de vriendschap, de drank en ‘’t Schoon geslacht’, afgewisseld met vaderlandslievende gezangen, waaronder het volkslied ‘Wien Neêrlands bloed’ van Hendrik Tollens.

Dat de literaire wereld Beets intussen wel degelijk serieus dient te nemen als dichter, laat hij buiten deze kring zien met vertaald en eigen werk. Hij weet meteen gereputeerde bladen voor zijn poëzie te interesseren. Als hij op zijn negentiende in Leiden gaat studeren, heeft hij al gepubliceerd in zeven verschillende tijdschriften.