Rozet met de beeltenis van Willem III op het plaatsbewijs bij de onthulling op 17 november 1869 van het Nationaal Gedenkteken voor 1813

Beets als letterkundige

Verpozingen en verscheidenheden

S

inds Nicolaas Beets is verhuisd naar Utrecht, houdt hij nu en dan lezingen. Soms gaan die in op kwesties van algemener belang, zoals in 1870, als hij het Provinciaal Utrechtsch Genootschap toespreekt over ‘Emancipatie van de vrouw’. In zijn redevoering pleit hij voor een opvoeding van meisjes die er meer op gericht is dat zij gezamenlijk een eigen, onmisbare plaats in de maatschappij kunnen verwerven, een plaats die weliswaar niet dezelfde is als die van de man, maar er wel gelijkwaardig en complementair aan is.

Zijn grootste successen als verhandelaar oogst hij in bijeenkomsten van taal- en letterkundigen. De Leidse hoogleraar Nederlandse letterkunde Jan ten Brink schrijft in de vroege jaren tachtig:

Als Nicolaas Beets het woord vraagt, verneemt men een zacht gemompel van voldoening: als hij spreekt wordt de geheele vergadering bekoord door zijn geestig woord, zijn edel gemoed, zijne dichterlijke vlucht.

Jeronimo de Vries, dichter en dominee, kan dat beamen:

Spoedig was Beets de geliefde spreker. En wie die hem heeft gehoord, verwondert er zich over? Rustig en natuurlijk staat hij daar, zeker van zichzelf en van den ingang, dien zijn woord zal vinden. Reeds dat zelfvertrouwen brengt het gehoor in een goede stemming en doet het gevoel van onzekerheid, dat u als toehoorder bevangen kan, voor een gevoel van veiligheid plaats maken. Toch niets zoo verre verwijderd van onverschilligheid of versmadende aanmatiging, dan het optreden van Beets. Er is ernst in zijn toon, gezag in houding en blik, en zoo oud is hij niet geworden, dat hij zijn gehoor niet zou eeren en een hoogen toon aanslaan. [...] Waar wordt nog altijd met meer vergenoegdheid gelachen, dan waar Nicolaas Beets de teugels viert van zijn vernuft? De luim vermoeit u niet, het gevoel van welbehagen verlaat u niet. Wie weet, als hij, de juiste maat te houden in lering, vermaak en spot? [...] Men schikt zich tot luisteren, zooals men dat doet bij een welbekend en geliefd stuk muziek, hetwelk door een meester wordt voorgedragen. Gelaat en oogen, houding en lach, alles werkt mede om u te boeien, en zoo ooit één van onze Nederlandsche ‘lezers’ vorstelijk ontvangen is en waar ook verschijnende een kleine hofhouding van vrienden en vereerders gereed zag staan, dan is het Nicolaas Beets.

Het verbaast niet dat deze ‘lezer’ af en toe gevraagd wordt in de voetsporen van zijn leermeester J.H. van der Palm te treden als nationale feestredenaar, in 1873 bijvoorbeeld bij de herdenking van Alkmaars ontzet.
 

Het zijn echter overwegend literaire onderwerpen die Beets in zijn lezingen behandelt, soms in de ondervragende vorm van een platoonse dialoog, zoals ‘Gesprek over letterdieverij, navolging en oorspronkelijkheid. (Eene voorlezing)’. Zijn lezingen publiceert Beets met andere min of meer wetenschappelijke beschouwingen in een serie opstellenbundels: Verpoozingen op letterkundig gebied (1856), waarvan de titel nog benadrukt dat het om zijn vrijetijdsbesteding gaat, Verscheidenheden meest op letterkundig gebied (1858-1873), dat in de ondertitel aankondigt dat het ‘Een tijdschrift op onbepaalde tijden’ moet gaan worden, en Nieuwe verscheidenheden meest op letterkundig gebied (1885-1902). In de tussentijd heeft hij dan al verspreid en kleiner beschouwend werk verzameld in Sparsa (1882).
 

Beets laat zich in deze bundelingen kennen als een veelzijdig essayist. Zo schrijft hij over de Bijbelse paradijsgeschiedenis in het werk van Nederlandse dichters en over ‘Het populaire’ in de literatuur, over onderwerpen als kinderboeken, smaak en literatuurkritiek. Andere opstellen zijn gewijd aan individuele schrijvers, soms buitenlandse zoals James Macpherson alias Ossian, Lord Byron, Walter Scott of Henri Barbier, maar meestal Nederlandse, onder wie Willem Bilderdijk, Bernard ter Haar, Johannes Kinker, Jacob van Lennep, E.J. Potgieter, Hendrik Tollens en vroegere als Willem van Haren, Hubert Poot en Joost van den Vondel. Tegelijkertijd verzorgt Beets een aantal tekstuitgaven. Hij editeert niet alleen eigentijds werk, zoals de godsdienstige Gezangen van de als Geka schrijvende dichteres G. Knutzen en de Gezamenlijke dichtwerken van Adrianus Bogaers (beide 1871), maar ook A.C.W. Starings Gedichten (1861) en Alle de gedichten van Anna Roemers Visscher (1881).

Over taalkundige kwesties laat Beets zich minder vaak uit, maar hij toont zich wel geïnteresseerd in spellings-, semantische en stilistische aangelegenheden. Sommige van zijn opstellen gaan in op de moedertaal, op Nederlandse uitdrukkingen en het Noord- Hollands dialect. En een warm pleitbezorger is hij van het Woordenboek der Nederlandsche taal, waarvoor hij zich actief inzet door het werk van enkele oudere schrijvers door te vlooien.
 

Beets neemt het op voor dat ambitieuze project van de hoogleraar Nederlandse taal- en letterkunde Matthias de Vries op verscheidene Nederlandsche Taal- en Letterkundige Congressen, die sinds 1849 om de paar jaar gehouden worden, afwisselend in Vlaanderen en Nederland. De eerste jaren fungeert Beets hier zelf als secretaris. Herhaaldelijk mengt hij zich in discussies over het wenselijke gebruik van de Nederlandse taal, en in de jaren 1862, 1865 en 1868 houdt hij er lezingen, achtereenvolgens over dichterlijke vrijheid, neologismen en ‘de betekenis van ongeletterden voor de letterkunde’. Op het Gentse congres van 1867 verheft hij zijn stem tegen een voorgedragen gedicht van de tegendraadse Vlaming Julius De Geyter, die daarin is uitgevallen tegen de geestelijkheid. Zelf draagt Beets af en toe een gelegenheidsvers voor in deze ambiance. In 1854 vergeet hij zijn predikantenplicht niet als hij het congres afsluit met zijn ode ‘De taal’, uitlopend op de oproep:

Komt dan Zangers, Sprekers, Redenaren,

Aan wier mond wij hangen, enkel oor!

Taaldoorvorschers met bekranste haren,

Die den fakkel voordraagt in het koor!

Laat die roeping ook uw hart bezielen;

Liefdedienst gaat boven zelfgenot;

En onze eervolste eer is neer te knielen

Met een lofgezang tot God.

En in 1876 beveelt hij tijdens het congresdiner de (literaire) kunstenaar aan in de gunst van ‘vorst en volken’:

Heil vorst en volken, die ’t beseft,
Den kunstnaar eert, beschermt, verheft;

Uw naam zal in gezangen
Onsterflijke eer erlangen!