M. Vasalis

Over de rand


Beluister dit fragment
Of scroll naar beneden om het verhaal te lezen

M. Vasalis is een geliefde Nederlandse dichteres. Haar dichtersnaam is het pseudoniem van Margaretha Drooglever Fortuyn-Leenmans, die in 1909 in Den Haag werd geboren in een vrijzinnig socialistisch milieu. Zij studeerde medicijnen en enkele jaren antropologie en specialiseerde zich tot psychiater, een beroep dat ze tot haar zeventigste uitoefende. Ofschoon ze ook proza schreef – kritieken, essays en een novelle – werd ze vooral bekend als dichter. Als zodanig debuteerde ze in het literair maandblad Groot Nederland in 1936 en publiceerde bij leven drie bundels gedichten, in totaal slechts honderd verzen. Na het verschijnen daarvan – in Parken en woestijnen (1940), De vogel Phoenix (1947) en Vergezichten en gezichten (1954) – zweeg ze vrijwel geheel. Na haar dood (in 1998) verscheen de postume bundel De oude kustlijn (2002) met nog eens vijftig nieuwe gedichten. Haar kleine oeuvre werd ongekend populair zowel bij poëzieliefhebbers als bij het grote publiek. Ze kreeg er twee oeuvreprijzen voor: de Constantijn Huygensprijs (1974) en de P.C. Hooft-prijs (1982).

Even te lang hield ik mijn hand

Waar is die hand geweest? Hoe kan dat, een hand uitsteken naar een angstwekkend ‘buiten’: naar iets wat erger is dan de dood? In acht regels gebeurt er iets heel avontuurlijks en griezeligs. Je belandt in een mysterieuze andere realiteit.

Vasalis’ gedichten roepen vaak iets op waar geen woorden voor zijn. Iets preverbaals, iets onmenselijks of iets goddelijks, iets wat dood is of nog ongeboren, iets wat eerder gedroomd lijkt dan echt gebeurd. Dat lijkt vreemd. Gedichten zijn immers juist van woorden gemaakt. Hoe kan taal een weg uit de taal vinden? Bij Vasalis gebeurt dat. Dankzij dagboeken en brieven die nu in het Literatuurmuseum zijn, begrijp je hoe haar gedichten tot stand kwamen. Vaak ontspringen ze aan dromen. In haar dagboeken schrijft Vasalis niet zozeer op wat ze bewust nastreefde maar wat haar overkwam. Het gedicht ‘wortelt in het geheim’, vindt ze.

Ich möchte mich verschwenden

 

Margaretha Leenmans, bijgenaamd Kiekie of ‘Kiek’, begon al jong te dichten.

Verlangen

Het is een jeugdige romantische verbeelding van weg-willen, van ontgrensd willen zijn en samenvallen met een veel groter element: de zee.

Kiek weet al vroeg dat ze dokter wil worden, tropenarts. Ze wil reizen: Nederland is haar te klein. Naast medicijnen studeert ze in Leiden ook etnologie – een vak dat later antropologie gaat heten – omdat verre volkeren haar fascineren. Tijdens de studie blijft haar verlangen naar iets groters dan het voorspelbare leven bestaan. Ze luistert naar de radio, Marlene Dietrich, en noteert dit:


12 maart 1932:

 

Hoe moet het zijn om iedere ochtend op te staan, vervuld van een groot en welgeweten doel, een lust en drang om de dag weer aan te grijpen. Op de dag toe te snellen als op een te lang gemiste beminde. Dat verlangen heb ik en ik huil van verheffing en begeerte als ik l’Oeuvre lees of aan het werk van Pawlow denk en ik frons mijn wenkbrauwen en klem mijn vuisten en kan niets vinden. Het leven van de meesten is een voorzichtig damspel, een zetje…. Wat doet het bestaan terug? En het winnen is niet belangrijk, maar het verlies is onverdragelijk. De schone roekeloosheid, de zelfvergetenheid, die in onderdelen misschien redeloos, maar in zijn geheel van een immanente wijsheid is, verdwijnt, ik schrei tranen van machteloosheid. ‘Ich möchte mich verschwenden’… zingt Marlene Dietrich, ik wil ook opbranden, niet in het vuur waarover zij zingt, waarin weet ik niet. Mijn hele geest is verdeeld, in heel kleine delen, die bevechten elkaar, soms geniepig, soms alleen vervelend, een enkele maal grootmoedig, maar o God ik zoek en zoek naar iets waar mijn geheel zich in storten kan, een grote vijand, waardoor de eenheid in mijn droeve rijk hersteld wordt in een gemeenschappelijke strijd, of naar een grote God, een doel waarnaar ik trots zal opzien en zeggen: ja! Hier ben ik.

Ze wil zich vergooien in een groot ideaal, en identificeert zich met de mannen in het lied van Marlene Dietrich, die zich als motten doodvliegen in het licht. Zij cirkelen om een mooie vrouw, de jonge Vasalis zoekt naar een groot ideaal en kan dat niet vinden. Het Grote Doel waarin Kiek zich zou willen storten – dat eenheid zou kunnen scheppen in haar innerlijke verdeeldheid – is niet voorhanden. Maar alles is beter dan burgerlijkheid. Haar vroege gedichten laten vaker zo’n nietzscheaans levensgevoel zien, uitgedrukt in sensitivistische bewoordingen die schatplichtig zijn aan Gorter. Haar handschrift verliest hier ook zijn schoolse, kalligrafische karakter:

Met kleine, zuinige monden

Bij de vergelijking van die zuinige monden met beursjes denk je aan geknepen monden en aan krenterigheid. Zij wil het tegendeel daarvan: verspillen. Weg met het zondebesef, geen slaaf zijn maar koning. Het tegendeel van het burgerlijk leven ligt hier in de vrije natuur, het vers gaat in een hogere versnelling: het wordt een lyrisch klankspel, door de herhalingen, de binnenrijmen en de alliteraties. Deze eerste strofe eindigt met de climax van ‘verdrinken in een golvend verdriet’ – alsof het verdriet een zee is. Een ‘groot en gelukkig verdriet’ zelfs. Vasalis schreef veel gedichten over de dood, die weinig afschrikwekkend voor haar is. Ook sterven is een vorm ontgrenzing, van opgaan in iets groters.

Zwerven

Tijdens een kuur in een guesthouse in Zuid-Afrika – waar ze negen maanden lang in de droge hitte van de Karoo genezing zoekt voor reuma – ziet ze een keer een groepje zwarte trekarbeiders langskomen. Het idee van een nomadisch leven spreekt haar aan. Ze beschrijft die ontmoeting in een brief aan haar ouders:


Gisteravond heb ik een eind met Hugo [paard]gereden, het was nog licht en plotseling zagen we een 2 wielig wagentje door twee witte paarden getrokken, hoog beladen met huisraad en kindertjes, gevolgd door een stel ezels, en om de paarden heen sprong een diep-bruin verrekt mooi veulen. Een jonge zwarte vrouw joeg een grote troep rossige en gevlekte geiten voor zich uit en een man kwam rustig en eerbiedig nader en wachtte tot hij aangesproken werd. ‘Waarheen gaan julle?’ Ek weet nie, baas, ons trek. ‘Watter naam het jy?’ April, baas. ‘Wat maak jy hiersoo?’ Ek soek werk, baas, kan jij vir mij gee? ‘Nee wat, jij het te baie bokke, jong, hulle is vermenkte goed.’ Jaba, baas. Het karretje kraakte, de kindertjes, in grijze, lange hemden, staarden doodstil & bleven omkijken toen de hele troep dwars door het veld, dat donkerpaars & gloeiend was verdween, rustig en haveloos. – Het is en blijft Hugo een raadsel waarom ik van een troep slordige kaffers zo verrukt kan zijn.

We kwamen in ’t donker thuis, de lucht was vol sterren, de melkweg is een lichtende allée hier en ’t woei glorieus over de vlakte en zo’n verrukkelijke lucht van lupine en dennen. Het was alsof ik duizenden levens bezat [...].

Hieraan ontspringt het gedicht ‘De trek’. De omstandigheden zijn wat veranderd. De ‘ik’ is er alleen en ze zit op een hek; slechts de zwarte vrouw en haar ‘stil-starende kleine zonen’ worden genoemd, er wordt geen gesprek gevoerd – en ook andere verhalende aspecten van bovenstaande tekst vervallen, maar sommige beelden en bewoordingen uit deze brief komen letterlijk terug in het gedicht.

De trek

Vasalis transformeert deze ervaring tot poëzie, door haar te subjectiveren. Alle aandacht valt zo op de wens die tot stand komt door deze – nu woordeloze – ontmoeting. Het beeld van de zwarte vrouw met haar kleine zonen roept in de ‘ik’ een plotseling verlangen op naar ongebondenheid, haveloosheid en rust. De volwassen mannelijke figuren zijn geschrapt omdat deze spiegeling tussen ik en ander beter werkt tussen seksegenoten: je ziet jezelf beter terug in de ander als de ander van dezelfde sekse is. Daardoor kan de zwarte vrouw in de ‘ik’ dat grote verlangen wakker maken.

Op het handschrift van het in Zuid-Afrika ontstane vers ‘Het ezeltje’ schrijft ze in 1937 dit motto:


If your only wish and zeal in life is to preserve your integrity, and never take any risk of becoming undone, than I consider your life as not worth living.

Het is een wens tot verspilling die in dit motto wordt geuit, een verlangen naar jouïssance, zelfverlies. Voluit leven, risico’s nemen, zwerven, het glas tot op de bodem ledigen en het dan stukgooien, dat is de jonge Vasalis ten voeten uit. Haar manier van schrijven heeft ook iets van ‘verschwenden’, van de woorden op papier slingeren wanneer ze in een toestand van verhoogde waakzaamheid verkeert. Of zij toegang heeft tot verrukkingen of verschrikkingen, dat maakt niet eens uit. Als het maar komt van dat jenseits, of uit dat rauwe zielsgebeuren, dat ze niet vat in conventionele religieuze termen. Ze bericht ervan, als reiziger naar de rand van de wereld, waarin de tijd is losgebroken, zoals in het angstwekkende gedicht ‘Tijd’, uit Parken en woestijnen:

Ik droomde, dat ik langzaam leefde

Het schrijven vanuit dit grensgebied is onderdeel van een beleving, waar alle reflectie stilstaat, die haar levensbron lijkt te zijn. Het schrijven overkomt haar als een bijproduct van die verhevigde waarneming. Het wordt haar geschonken. Als ze in zo’n stemming of toestand aan het schrijven gaat, staat het vaak direct goed op papier. Vasalis’ manier van werken is – behalve uit de mededelingen die ze er zelf over doet – ook af te leiden uit de nagelaten handschriften. Ze construeert haar gedichten niet, er is geen sprake van een langzaam schriftelijk proces van conceptie, groei, verandering en weer opnieuw beginnen aan hetzelfde vers. Ze schrijft haar gedichten gewoonlijk in één keer op en meestal is het die eerste keer vrijwel definitief. We weten dit omdat Vasalis soms een pasgeschreven vers aan iemand toestuurt – aan haar ouders bijvoorbeeld – en omdat ze gedichten soms direct in een dagboek noteert. Bovendien bewaarde ze kladversies waaruit duidelijk wordt dat gedichten ofwel terzijde werden gelegd of met geringe wijzigingen gepubliceerd werden. Verschillende versies hebben slechts minimale afwijkingen ten opzichte van elkaar. Bovendien schrijft ze in haar dagboek (14-3-1980) dat ze niet kan werken aan eenmaal geschreven gedichten.

Als je kijkt naar het eerste handschrift van ‘Het ezeltje’, gedateerd maart ’37, zijn er maar een paar woorden doorgehaald en verbeterd, maar dan krijgen we ook meteen de definitieve tekst. Eerst luidde het begin:

In de korte blauwe schemering
deed ik een kleine wandeling
en, menende alleen te zijn,
zong ik een zacht banaal refrein
de grond was rood, gebarsten-droog
de lucht was dun & vreeslijk hoog

In de korte, blauwe schemering

Later zijn regel 3 en 4 geschrapt. Bij het overschrijven is de definitieve versie al tot stand gekomen.

Het ezeltje
In de korte, blauwe schemering
deed ik een kleine wandeling.
De grond was rood, gebarsten-droog.
De lucht was dun en vreeslijk hoog,
en blauwe distels stijf en grillig
ritselden driftig en onwillig.
Stil grazend naast een grijze rots
zag ik opeens op hoge benen
een jonge ezel; zijn oren schenen
doorzichtig, zijn gelaat was trots.
Zijn lange, ambren ogen blonken
Als water, ernstig en bezonken
en onpartijdig was zijn blik.
En na een korte, felle schrik
verstarde ik in verwondering.
Of kan het eerbied zijn geweest
Voor dit schoon, ongeschonden beest,
waarmee ik langzaam verder ging?
Een pijnlijke herinnering:
zo ben ik vroeger ook geweest.
Die gaafheid en zachtzinnigheid,
onzware ernst en droomrigheid,
o kon ik dat nog ééns herwinnen,
kon ik nog ééns opnieuw beginnen.


Onaffe fragmenten hernemen is er bij Vasalis niet bij. De volgende keer dat de stemming van verhoogd bewustzijn zich aandient is altijd vers, onvergelijkbaar en uniek. Ze begint dan liever aan een nieuw gedicht.

Mystieke ervaringen

Al tijdens haar studententijd heeft Kiek merkwaardige belevingen die zij zorgvuldig documenteert. Het zijn gelukservaringen als deze.


Het is nu avond geworden. Ik schrijf door de schaduw van mijn hand heen, het licht komt van de lantaarn voor het raam. De bovenste rij ramen van de Annakliniek zijn nog verlicht. Er is een gave maan, azalea-geel, de lucht boven de kliniek is donkerder blauw dan boven de rode huizen in de Merelstraat. De bomen naast de kliniek zijn losgewoeld door de wind en waaien nu licht en vreugdevol. De koeien staan op het weiland, dicht bij elkaar, het ruikt zoals in Savoie, naar warm gras en koele lucht. Ik heb hier de hele avond voor het brede open raam gezeten, ik heb de zon zien weggaan. Ik heb de glans op de ruggen der paarden zien wisselen, van witte spiegeling diep zien worden, zodat het geen licht meer was maar kleur; doorgloeid bruin; toen zijn ze weggehaald, de paarden, ze werden achter een wagentje gebonden en liepen hoog en licht met losse staarten de straat uit. En de koeien hebben straks nog gedempt en binnensmonds geloeid. Ik heb gelezen; en ik weet niet meer waarom ik zo ongehoord gelukkig was, op een manier die ik niet kende; niet een agressief en exuberant geluk, maar als ’t ware vol rücksicht, alsof ik bij iets waakte en alsof er een licht in mij ontstoken is, dat niet meer doven zal.

Dit soort wonderbaarlijke belevingen worden meestal ontketend in de natuur en ze blijken een belangrijke bron vanwaaruit ‘M. Vasalis’ haar gedichten gaat schrijven. Ook in het jeugdwerk zijn al extatische natuurbeschrijvingen te vinden, maar nu worden dat welhaast openbaringen.

Iets vergelijkbaars gebeurt in het weekend van 25 augustus 1932 in het ouderlijk huis, waar de schoonheid van een Chinese vaas haar ineens treft. Ze noteert die ervaring in haar dagboek op 29 augustus, eindigend met:


Onder het gordijn was een reet licht, daarin stroomden zilveren en gouden stofjes, een lange stroom het tochtte licht op de bovenrand der kussens, die op het zwarte divankleed lagen. Maar de Chinese vaas. Van een zo rijke en bescheiden, grootse en lichte pracht, waarin de fijn-gepluimde, subtiel verlichte stro-bloemen, in dit tijdloze, rücksichtsvoll getemperde licht geheven stonden, zonder gewicht, als een suspensie. Ik liep rond en rond, je kon mijn stappen haast niet horen op het kleed, de piano stond in het gloeiende donker naast de schoorsteen, donker met een vernis van licht op de toetsen, er was geluidloze muziek. Ik dacht: de dingen en het licht, de woorden waren nieuw, vol en supreem belangrijk: er was geen twijfel in mij, dat deze schoonheid, deze werkelijkheid een absoluut belang hadden, geen twijfel – sinds een hoe lange lange tijd – aan mijn Gevoel, en een krankzinnige, haast niet te verdragen dankbaarheid.

Ze verlangt naar de liefde en ook die betekent ontgrenzing voor haar. Ze heeft het idee dat iedereen het warm en gezellig bij haar vindt, maar haar tegelijk niet kan bereiken. Ze zou willen dat iemand op het idee kwam ‘om de ruit in te gooien en mij te verlossen van het eenzame, warme licht en mij mee te nemen in het grote, waaiende duister’, schrijft ze in januari 1935. Weg uit het bekende veilige binnenhuisje.

Vaak zijn haar natuurbelevingen te groot om te bevatten:


En omdat ik met de volheid geen raad weet, zou ik direct alles willen achterlaten en doodarm, blootshoofds door de besneeuwde weilanden willen gaan, met een doel, dat mij kristalhelder en scherp voor ogen staat.

Het lijkt op het wegvallen van de dualiteit tussen zelf en wereld, op een absolute nu-ervaring die mystici rapporteren, een epifanie van schoonheid, die bovenmenselijke dimensies heeft. Kiek is niet religieus, maar zulke epifanieën overkomen haar. Ze verrukken haar en ze zijn een motor voor haar dichterschap, ook al schieten woorden altijd tekort:


Elk woord is alweer iets te veel en niet precies. Ik kom nu toch met volkomen lege handen en leeg gemoed en luister ademloos. O geheim, is het dan toch niet waar; hoe komt mijn hart dan aan dat beeld van geluk en vrijheid. Dit zijn weer woorden, daarmee heb ik het sentiment waaruit zij ontstaan zijn alweer doodgeschilderd.

 

 

Circa 1935

Op 5 februari noteert Kiek een lange extatische beschrijving van een vioolconcert, muziek die haar volledig meevoert. De laatste regels luiden:


‘Blus mij, laat mij vergaan in uw kristallen helderheid.’

Dat ‘blus mij’ suggereert dat zij het gevoel heeft te branden. De fantasie van te willen vergaan duidt op verlangen het eigen ik kwijt te raken, of op te geven, te vergaan in het grote licht dat toebehoort aan een U of Gij, dat een Godheid suggereert. Het is het beeld dat mystici van alle tijden kennen. Het moment van zelfverlies in het licht is het hoogtepunt van de mystieke ervaring. Toch lijkt Kiek de mystici nog niet te kennen. Ze leest veel, maar daar is niets bij van of over Hadewijch, Ruusbroec, Meister Eckhardt, Johannes van het Kruis of Hölderlin. Dat wijst erop dat ze zowel deze ervaringen als de uitdrukking ervan zelf ‘from scratch’ heeft uitgevonden om ze pas later bij anderen te herkennen. Ze vindt een poëtische vorm voor haar verlangen naar extatisch zelfverlies. Want ‘Ich möchte mich verschwenden’ betekent veel meer dan romantische antiburgerlijkheid. Op 14 februari 1935 staan in het dagboek alleen maar deze notities: ‘Geslepen tot een koele vlam, tot brandend water.’ Deze onmogelijke combinaties behoren tot het taaleigen van de mystiek, waarin de paradox het medium is om het onuitdrukbare uit te drukken. Aan tal van haar gedichten – zoals ‘Afsluitdijk’, ‘Ster’, ‘Onweer in het moeras’ en ‘Tijd’ lijken mystieke ervaringen ten grondslag te liggen.

Hoofdstuk 1 van De Lust tot Lezen

Maar nu, met de dagboeken en de handschriften, zien we ook hoe het precies ging.

 

Tijdens het lange verblijf in Zuid-Afrika was ze bijvoorbeeld onder de indruk van een machtig onweer in de halfwoestijn de Karoo. Ze schrijft erover in haar dagboek:


Er kwamen vandaag twee zware lei-kleurige onweren op, terwijl we liepen te zoeken. Rechte, dichte blauwe stralen als recht-gekamd blauw haar stonden tot op de rossige grond; enorme schaduwen vlogen over de bergen. Ik slenterde in de richting van de kudde Persianer schapen: sneeuwwit met zwarte koppen en plotseling stoven ze als schuimvlokken voor een golf de vlakte over, een geluid makend of er een zware regen op de dorre bosjes viel. Twee inktzwarte wolkengroepen dreven nu langzaam langs een zijde van de horizon, de bergen voor ons verhullend, en langzaam en breed schoof een blauwe regen naderbij. We renden terug naar de auto en zetten haar met haar neus in de regen omdat de voorruit zo smerig was. Walpole zei met zijn holle klankloze stem: the beauty of the scenery is a constant source of comfort and delight to me. – Zo zelden zegt hij zoiets persoonlijks en dan nog op zo’n eenzelvige manier, dat ik een dikke keel van medelijden kreeg.

 

 

In Zuid-Afrika, 1937

Later die dag trekt Kiek er nog eens op uit met vriend Hugo om te zien of de weg na het onweer weer berijdbaar is. Alles staat vol poelen en plassen en ze kunnen niet verder. Terugkerend ziet ze hoe magisch de watermassa de woestijn transformeert


Terug naar Asperlin-river. Ik heb nog nooit zoiets gezien: een blauwe rivier stroomde door ’t rode zand en de bosjes waren ontzaggelijk groen. Het geruis van water in die dorre vlakte is iets ongelooflijks; en in de lucht dreven grote koraalriffen en kostbare schelpen en de bergen waren onbeschrijfelijk van kleur, een soort purper. De gele vogeltjes bij Asperlin-dam in het moeras kolkten en ziedden. Er vlogen ooievaars, reigers, valken, zwaluwen en om de bosjes heen wemelden witte vlinders als bloesems. Asperlin-dam steeg langzaam, en glansde als paarlemoer; de wolken lagen er verwonderlijk mooi in weerspiegeld. H[ugo] had een klein, vast gezicht en zijn ogen waren enorm helder en blinkend; de hele farm was feestelijk opgewonden door de regen en onderwijl waren er alleen nog maar wolken aan de horizon en de volle maan stond in de schone lucht en won langzaam in licht.

Ik kan dit alles op geen stukken na beschrijven, de geur en het zacht geworden rode zand onder mijn voeten en het verrukte glimlachen van H[ugo], en vooral de blauwe, snel-stromende Asperlin-river, die gisteren nog niets dan een gebarsten droge bedding was.

Deze passages vonden hun neerslag in het gedicht ‘Onweer in het moeras’. Na de eerste strofe met de beschrijving van een bewegingloos meer onder zware wolken breekt het onweer los:

Onweer in het moeras

Eigenlijk zijn er twee omslagen in dit gedicht: het uitbarsten van het onweer zelf – ‘Dan splijt met een verblindend licht’, en vervolgens de omslag naar wat het onweer innerlijk ontketent: ‘Mijn hart werd plotsling wit en heet’. Dat laatste is een omsmeding, een transformatie van de ‘ik’ zelf. De wending in Vasalis’ gedichten gaat vaak gepaard met een typerend woord: plotseling, opeens, plots, dan, toen (als tegenstelling tot het voorafgaande) opeens, ineens. Dat is de scharnier waaromheen de werkelijkheidsbeleving omklapt naar een verhevigde beleving of een andere bewustzijnstoestand. Deze structuur in de Zuid-Afrikaanse gedichten wordt definitief het model voor Vasalis’ poëzie. Daar vindt M. Vasalis haar eigen vorm.

 

Gefascineerd door geestesziekte: de vierde wereld

 

Kiek studeert met overgave medicijnen. Om bij te verdienen werkt ze als assistent voor professor Bok in het laboratorium. Ze tekent hem achter zijn lessenaar:

Ze moet ‘coupes’ – plakjes hersenweefsel – voor hem prepareren, maar gaat niet door in het hersenonderzoek. Ze peinst over haar toekomst:

Ik weet niet meer wat ik worden moet, waarop promoveren, waarin specialiseren, ik ben deze dagen zo stampvol en verlangerig, ik zal toch één boek moeten schrijven.

Inmiddels heeft ze zich tijdens de colleges psychopathologie van professor Carp gerealiseerd dat ze de nevenstudie etnologie kan opgeven en de vreemde volkeren niet in verre landen hoeft te gaan opzoeken: de vreemdeling zit evengoed in onszelf. De wanen van psychotici, de angstbeelden van schizofrenen vormen een wereld op zich, die eigen wetten kent, evenals onze eigen dromen. In haar dagboek documenteert ze het beslissende gesprek met haar docent Van Stipriaan Luïcius (‘Stip’) waarin zij koos voor een specialisatie tot psychiater.

11 Jan. ’33. Vandaag heb ik de eerste stap gedaan om mijn ‘toekomst’ te verzekeren. Met Stip over psychiatrie, kinderanalyse, Weenen, Carp, neurologie, Ophuizen etc. gepraat. De kamer was in diepe schemering, van Stip was niets te zien dan wat haar, voorhoofd en licht in zijn bril. Zijn stem was merkwaardig welluidend. Ik had neiging om in luide litanien uit te breken.

Van Stipriaan was lid van de Nederlandse Vereniging voor Psychoanalyse, Johan van Ophuysen was medeoprichter. Wenen was de plek waar Freud zetelde en waar de kinderanalyse op dat moment op gang kwam. Het was duidelijk een opluchting voor Kiek om deze keuze te kunnen maken. Zo kwam ze na haar artsexamen in maart 1934 als arts-assistent terecht in het psychiatrisch ziekenhuis Santpoort. In 1988 herinnerde ze zich nog hoe onverholen prachtig ze de Santpoortse psychotici vond:

daar zat je keurig met z’n allen op het grasveld. Dan dronk je thee. En dan hoorde je uit een van de gebouwen zo’n ... schreeuw komen, hè. Zo’n prachtige schreeuw. Zo echt dat je dacht: wat doe ik in Godsnaam hier op het gras. Dan voelde ik mij veel dichter zelfs bij de gekste psychotici dan bij mijn collega’s en superieuren.

 

 

In Santpoort, circa 1937

Kiek vond dat het innerlijk leven van de Santpoortse patiënten een glorie en diepte had, die ook sommige grote kunstenaars kenmerkt. Psychofarmaca ontbraken,

dus iedereen had bloeiende wanen en bloeiende angsten. [...] Er was alleen apomorfine en daar kon je dus iemand mee platspuiten, wat ik walgelijk vond. Dat waren werelden, die minstens even waar waren als de werelden van de mensen die voor hen zorgden. Ik vond het de grootste eerbied waard.

In Santpoort kwam het bekende gedicht ‘De idioot in het bad’ tot stand, dat beschrijft hoe een ongelukkige idioot kalmeert en gelukkig wordt in het warme water dat hem als een baarmoeder omsluit. Het verlangen naar terugkeer naar de voorgeboortelijke staat – dat zich bij Vasalis kan vermengen met doodsverlangen – is een thema dat als een rode draad door Vasalis’ poëzie loopt. Bekijk het artikel

‘Opnieuw geboren worden’

Er is ook een bijzondere brief van Kiek aan de psychiater bij wie ze in leeranalyse was. Hij bevat een intrigerende reflectie over haar eigen karakter, uit het najaar van 1937, toen ze net terug was uit Zuid-Afrika:


Iets waar ik altijd een grote afkeer van gehad heb is overstappen op de reis; al zit ik nog zo beroerd en al erger ik me aan het praten of snurken of stinken van mijn medepassagiers. En mijn herinnering blijkt steeds hartstochtelijk partij te trekken voor iets wat lang geduurd heeft. Niets is zo te wantrouwen en te vrezen als de onmiddellijke toekomst, de toestand waarin men tochtig en onzeker de veste verlaat en een nieuwe ‘plaats voor de voet’ moet zoeken. En als ik het eens naga, dan heb ik dat mijn hele leven gehad. Ik werd te laat geboren, en ofschoon ik me de uterus slecht herinner slaap ik nog steeds het liefst in die eerste houding en benijd ik weinig dieren zozeer als jonge kangaroe’s; die zelfs na hun geboorte nog zo lang mee mogen rijden in de dickey-seat van hun moeders. Ik wou niet naar de lagere school en later niet naar het gymnasium en toen ik ging studeren wilde ik er niet mee uitscheiden. Ik wilde niet op de boot in Southampton en in Kaapstad wou ik er niet van af. En met niemand ben ik het zo grondig oneens geweest als met Faust als hij klaagt, dat hij tegen geen enkel ogenblik kan zeggen: verweile doch, du bist so schön. Alle ogenblikken spreek ik op deze manier toe, en mijn tragedie is dat ze niet verwijlen. Of dat louter inactiviteit is en samenhangt met mijn minne lichaamsbouw weet ik niet. Terwijl sterven mij iets vreselijks lijkt, trekt de dood mij altijd aan: eindelijk eens voorgoed. ‘Verweile doch, noch bist du schön’ zal de aarde eerst zeggen, en ik zal het doen. Later zal de tweede helft van dat gefluister vervallen, maar nog altijd zal ik verwijlen. Maar vast moet ik nog veel overstappen voor het zover is. Wat een drukte.

Deze tekst getuigt niet alleen van haar hekel aan verandering, zelfs van heimwee naar de ongeboren staat, maar spreekt ook letterlijk haar verlangen naar de dood uit: de dood is de definitieve plaats rust.

 

Hoezeer Vasalis zich kon verplaatsen in het lijden van geesteszieken blijkt uit veel gedichten uit haar nalatenschap, waarvan veel ongepubliceerd bleef (zoals het gedicht ‘Melancholia senilis’ , maar dit werd opgenomen in De oude kustlijn:

De vierde wereld

Waarschijnlijk parallel aan de totstandkoming van dit gedicht maakt ze deze notitie over een geesteszieke die ze persoonlijk kent en die haar hulp zoekt:


[X.] praat volkomen normaal: redelijk, scherpzinnig, vol verontwaardiging en verdriet, maar ook begrip voor de tegenpartij. Ze beoordeelt hier alles ook evenwichtig. Ze is ontwikkeld, begaafd in haar taal, chique in haar gedrag, moedig onder haar omstandigheden, ze heeft humor. En ze loopt in gescheurde kleren, plast door haar rok en leeft in één groot waansysteem van stemmen, invloeden, yoga-praktijken, tekenen, symbolen.

Ze is volkomen normaal zou je zeggen, alleen de inlichtingen die ze krijgt zijn volslagen anders dan de mijne. De inlichtingen van haar binnenwereld. De wanhoop en de woede die ze voelt als ze niet geloofd wordt is ook normaal. Die lijkt op de ontzetting van de vervolgde, die ontsnapt is uit een concentratie kamp en in een vreedzaam land komt waar iedereen zegt ‘dat verbeeld je je maar, die dingen gebeuren niet.’ Ik denk steeds aan het kind in Erlkönig en aan de vader: ‘o vater o vater und hörest du nicht’ [...] Bij de ellende van de ‘stoor-zenders’ komt de wanhoop van de isolatie, het hulpgeroep temidden van mensen, die de vijand niet zien, niet horen en zelf vijanden worden, die je willen pakken en opsluiten. Als je niet al gek was zou je het daardoor alleen al worden. Dat er in die vierde wereld – zo noem ik de wereld van de psychose, nog andere mensen in dezelfde omstandigheden zijn helpt niet, want je blijft alleen. In het huis mijns vaders zijn vele woningen – en men bewoont er, zolang men bij zinnen is, maar een enkele kamer van. ’s Nachts komt iemand in andere kamers en gangen.

Dromen: Phoenix I en II

In 1939 trouwde Kiek Leenmans met Jan Droogleever Fortuyn, hersenonderzoeker en zenuwarts. Ze ontmoetten elkaar in het Amsterdamse Wilhelmina Gasthuis, waar ze allebei werkten. Ze kregen een dochter, Lousje, in 1940 en een zoon, Dicky, in 1942. Het jongetje overlijdt in het oorlogsjaar 1943 en de twee prachtige gedichten die aan hem zijn gewijd – ‘Phoenix I’ en ‘Phoenix II’ – hebben een wonderlijke ontstaansgeschiedenis. Deze gedichten beginnen namelijk als dromen. Hoe is dat gegaan?

Kiek krijgt van haar joodse vriend Victor van Vriesland, voordat hij onderduikt, een boek over de vogel Phoenix. Het is een interpretatie van Rembrandts ets van de vogel Phoenix.

De kunsthistoricus Frederik Schmidt Degener volgt de mythologische en schilderkunstige verbeelding van het aan de zon gewijde fabeldier, dat vijfhonderd jaar leeft en op zijn nest verbrandt. In de vlammen breekt een jong uit het ei: de nieuwe Phoenix. Vasalis bedankt opgetogen en schrijft Victor – onderduiknaam ‘Cees’ – meteen over de droom die ze kreeg:


Vannacht droomde ik van een kleine grijze vogel met een kuif en kobalt-blauwe veren op buik & poten. Ik moest hem vasthouden voor f. 3,50 per uur, maar in werkelijkheid hield hij mij vast, zijn rechterklauwtje omklemde mijn wijsvinger, die werd ook blauw en begon zonder pen te schrijven. Toen keek hij op en ik herkende hem, het was de vogel Phoenix. Dit alles in een lange, lage tent waar gewonde dieren werden binnengebracht. Slachtoffers van een bombardement. Alleen de vogel was ongedeerd, ofschoon hij dood binnen werd gebracht.

De vogel Phoenix van haar droom zou een beeld kunnen zijn voor de creatieve kracht, die op magische wijze kan sterven en weer herboren worden. Creativiteit is niet geheel te beheersen of te bezitten. De kunstenaar kan wel denken dat zij de vogel vasthoudt, maar in feite houdt de vogel haar vast. De muze bedient zich van de kunstenaar en omklemt haar tot blauw-wordens toe, dwingt haar tot schrijven. De vogel werd dood binnengebracht maar is toch ineens weer levend, zoals ook de creativiteit dood kan lijken en toch weer tot leven kan komen. Het aanvankelijke vasthouden van de vogel voor f. 3,50 per uur kan een verwijzing zijn naar Vasalis’ vertalen-voor-het-geld dat ze in deze jaren doet. Maar de vogel neemt het initiatief in de droom geheel over. Geïnterpreteerd vanuit het idee dat de droom over creativiteit gaat, krijgen alle details zin. De wijsvinger wordt een pen. Schrijven had voor Vasalis een lichamelijke dimensie: ze ervoer het als een natuurgebeuren. Ze bedacht de inhoud van haar tekst niet, het schrijven voltrok zich aan haar. Het bombardement en de slachtoffers die daarbij vallen behoorden bij de realiteit van de oorlog, en ook de medische setting waarin ze werkte is een van de dagresten waaruit deze droom over schrijven is gecomponeerd.

Een week later is deze droom nog in haar gedachten. In haar dagboek van 12 september 1943 schrijft ze hem nog eens op, met meer details, met meer accent op het schrijven en de vinger als pen en in het besef dat het essay van Schmidt Degener over de vogel Phoenix een van de bronnen van de droom moet zijn:


De hele week olympisch verheugd, verlost door de volgende droom. Ik stond op een groot grasveld, dichtbij was een lange, lage legertent. In de lucht naderde een groot houten vliegtuig, een Rode Kruis-vliegtuig, dat gewonden uit een bombardement aanbracht. Ze werden naar de tent gedragen. Na enige tijd werd ik geroepen, ik dacht om medische hulp te verlenen. Ik kwam binnen, Veeneklaas bracht me naar een lange tafel, waarop een kleine vogel stond, grijze kuif, grijze rug, kobalt blauwe buik & poten. Ik moest die vasthouden, voor f. 3,50 per uur. Hij was dood binnengedragen, maar nu geheel ongedeerd. Ik ging naar de vogel toe. Hij omklemde met een klauwtje mijn rechterwijsvinger, stijf & onontkoombaar. Hij hield mij vast, niet ik hem. En na enige tijd zag ik, dat mijn vinger blauw werd en op de ongeverfde houten tafel begon te schrijven als een vulpen. Toen keek de vogel om. Omhelsde mij even met zijn vlerken, zei, dat hij Phoenix was. Ik werd zeer gelukkig wakker. De gewonden in de tent waren uitsluitend dieren. Lees Phoenix van Schmidt Degener. Het boeit en verrukt mij.

Veeneklaas is een collega uit het Wilhelmina Gasthuis. Dat de vogel Phoenix haar in deze versie onontkoombaar omklemt met zijn klauwtje en daarna nog omhelst zijn mooie details, wanneer je ze leest in het kader van de vogel als beeld voor het schrijverschap. Dat deze droom haar zo gelukkig maakt correspondeert met het feit dat schrijven – als het lukt – bevrijdend voor haar is. Kieks interesse in dromen en haar capaciteit om ze in haar herinnering te bewaren wordt ongetwijfeld gevoed door haar deelname aan het psychoanalytische seminar dat wekelijks bijeenkomt en haar leeranalyse, die inmiddels een jaar duurt. Dromen zijn en blijven een belangrijk onderdeel van Vasalis’ innerlijk leven. Ze gebruikt ze als richtingwijzers voor haar bestaan en schrijft ze vaak in dagboeken op. De gevoelstoon van een droom – hier zeer gelukkig – is altijd een belangrijk onderdeel van haar droomnotities.

Dan gebeurt er een ramp: er breekt een polio-epidemie uit. Het is de beruchte epidemie die in Nederland in het oorlogsjaar 1943 bijna tweeduizend slachtoffers zal eisen, en in het erop volgende jaar meer dan twaalfhonderd, vooral kinderen. Kieks zoontje, de achttien maanden oude Dicky, raakt begin oktober besmet. Onverbiddelijk neemt de ziekte haar loop:


Ik heb vijf dagen en vijf nachten zo hartstochtelijk geprobeerd mijn eigen leven en gezondheid te storten in het kostbare mannetje en toen ging hij heel alleen in een kwartiertje zijn eigen weg, terwijl we bij hem zaten en trachtten hem vast te houden.

Op 10 oktober 1943 sterft Dicky aan kinderverlamming. Enkele dagen later wordt het kleine kistje bijgezet op Zorgvliet, de begraafplaats aan de Amstel tussen Amsterdam en Ouderkerk. De ouders zijn ontroostbaar. Aan Victor – nu onder de schuilnaam ‘Cor’ – schrijft Kiek een week later dat ze te uitgeput is om naar hem toe te komen. Ze kan nog maar amper een stukje buiten lopen:


Er is nu een wanhopige leegte, of een wanhopige volte van gevoelens, waarin ik wel lijk te proberen de tijd terug te forceren, tot voor zijn ziekte, en ik hem tracht te behoeden, dat hij niet besmet wordt en dan komt de ziekte weer en de rampzalige dood. Het zijn golven van verdriet, die onverwacht opkomen en weer afzakken, en dan lijkt het soms of ik geen verdriet meer heb. Je weet hoe hij was, lieve Cor, hij was zo sterk en mooi en lief, en het was net als met dat vogeltje Phoenix waarvan ik droomde, ik moest op hem passen maar hij hield mij eigenlijk vast.

De nieuwe betekenis die Vasalis nu in retrospectief aan haar Phoenix-droom geeft, ligt besloten in de zinsnede dat het met Dicky ‘net als met dat vogeltje Phoenix’ was. Ze droomt deze grote droom wakende verder: de vogel wordt een beeld voor Dicky. Hij houdt haar vast in plaats van zij hem. Het gestorven jongetje wordt in haar verbeelding nu tot de kleine phoenix die bij zijn dood haar schrijven zegent. Hij is het die haar tot schrijven dwingt, door haar vinger, die een pen wordt, te omklemmen, alsof de creativiteit wortelt in het verlies, de dood. Ze schrijft er twee gedichten over, onder de titels ‘Phoenix I’ en ‘Phoenix II’, waarvan het eerste de droom getrouw volgt:

Phoenix I

Het prozaïsche element ‘vasthouden voor f. 3,50 per uur’ is verdwenen en de oorlogscontext is afgezwakt ten gunste van een context die is ontleend aan de christelijke mythologie, het beeld van de ark van Noach, waaruit de gewonde dieren komen als de wateren zijn gezakt. De dieren komen ‘als uit een zieke ark’ naar een tent, die door de ‘ik’ wordt ingericht als een nieuwe wereld – ‘met gras en bomen en een fonklend firmament’ alsof de ‘ik’ de schepper is. Zij schept een nieuwe wereld voor de gewonden. Een reddersfantasie van grote proporties. Maar de grijze vogel met de blauwe kop is van een ander kaliber dan de andere dieren. Met ‘Toen zag ik plotseling’ creëert Vasalis de omslag in dit gedicht, de blik op de vogel Phoenix als een blauw vuur – vooruitwijzing naar zijn ontbranding. De gehele nacht klemt de vogel zich aan haar vinger vast, tot die vanzelf schrijft als het ochtend wordt: het schrijven en het branden van de vogel gaan samen. Het zegenen waarmee het vers besluit lijkt evenzeer het zegenen van de ‘ik’ als persoon, als het zegenen van haar schrijven. In het mythologische beeld van de brandende phoenix is gegeven dat hij in het vuur opnieuw wordt geboren. In mijn interpretatie wordt hij wedergeboren als de muze, omdat de band tussen de vogel en de creativiteit zo nadrukkelijk wordt gelegd. Het gedicht ‘Phoenix I’ mythologiseert de dood van het kind, als een manier om met dit verlies om te gaan. ‘Phoenix II’ zet de mythologisering voort: de ‘ik’ is daar zelf het vuur waaruit de phoenix opvliegt als uit een nest. Weer is hij het die haar bezat, niet andersom.

Phoenix II

Schrijven tot verbrandens toe. Klemmender beeld van hoe de muze bezit kan nemen van de dichter is mij niet bekend.

De voorbereiding van de dichterlijke mythologisering van het gestorven kind kan gelegen hebben in de manier waarop Vasalis haar kind soms in de werkelijkheid zag. In een poëtische stemming beschrijft zij in haar dagboek het slapend jongetje zo:


Dicky lag in zijn wieg als een mythologisch wezentje. Zijn slapend gezicht was bleek, de kleur van speksteen, de dikke dichte oogleden glansden blauw-roze, zijn mond was wat geopend als een vochtige roze grot, van grote zuiverheid. zijn haar is zo kort en licht, rechtopstaande, dat het niets doet dan de countouren van zijn lang gerond schedeltje verzachten; hij lag opzij, zijn beide armen lagen naast zijn afgewend hoofd, soepel en ontspannen. Hij was niets dan volmaaktheid en rust, onbereikbaar als een Chinese tekening. Hij ademde als de wind.

Het kind is zo mooi dat het niet van deze wereld is. Zo zien is het poëtische zien, en in de gedichten die dan volgen komen de elementen uit de werkelijkheid in het licht van een hogere orde te staan, een mythologische orde. De mythologische sprong komt in de bundel De vogel Phoenix vaak voor.

Kiek is doodsbang geweest dat ook Lousje besmet zou kunnen worden met polio en heeft haar elders ondergebracht. Kort daarna krijgt Lousje difterie, een gevaarlijke kinderziekte. Het is een blessing in disguise. De zorg voor Lousje leidt Kiek enigszins af van het grote verdriet om Dicky, dat de eerste maanden allesoverheersend en ondraaglijk is. Op 4 februari 1944 schrijft Kiek in haar dagboek dat schrijven nu onmogelijk is geworden. Ze kan het kindje niet loslaten:


Mijn lieve kleine Phoenix, waar ik voor zorgen moest en die voor mij zorgde is weggegaan. Ik kan niet meer schrijven, ik kan niet meer over die stille witte drempel stappen waarvoor zelfs de tijd is blijven staan. Klein mannetje, ik kan je niet loslaten uit mijn armen, je was zo licht toen je leefde en je bent nu zo zwaar zo zwaar in mijn hart. Ik weet niet meer hoe ik je benaderen kan, hoe ik aan je denken moet, hoe ik je strelen kan en met mijn ogen beminnen. Soms haat ik iedereen die leeft en ontken dat je er niet bent. Ik ontken het, het is niet gebeurd, ik ben met je op reis gegaan om de ziekte te ontvluchten. Ik kan het niet volhouden, iedere keer sterft hij opnieuw, laat ik hem weer opnieuw los; onmacht om hem terug te houden, onmacht om hem te begeleiden. Krachteloos vlindertje, uitgeput en stil, volmaakt mooi en gaaf en nooit zal ik zijn zuivere adem meer horen.

Toch komt er een gedicht voor Dicky, waarschijnlijk kort na Dicky’s dood geschreven. Het bleef ongepubliceerd:

Hij heeft zijn worteltjes losgemaakt

Pas in het najaar van 1944 kan Kiek het voor het eerst aan om naar Dicky’s grafje te gaan. Daar wordt zijn dood een realiteit. Ze wordt er rustiger en ook bedroefder.


Een deel van de nachtmerrie en het verzet, viel er weg, ik gaf hem op en kon hem beminnen, zooals hij in zijn rust lag, het kleine mannetje. Alleen stuitten de graven aan weerszijde van hem me af, ik had hem zo graag ergens apart gehad, het was zo moeilijk me met hem af te zonderen, hij hoorde niet tussen de glimmende zware stenen. In Afrika was in een vallei – dezelfde waar ik het ezeltje heb gezien – een plek waar een paar graven van kaffer-kinderen waren. Zo’n omgeving had ik gewenst voor hem, niets dan de ongedifferentieerde grond en de lucht.

Aan ‘het ezeltje’ wijdde ze al eerder een gedicht. Vanaf dat moment kan Kiek het grafje regelmatig bezoeken. Ze doet het elk jaar op Dicky’s sterfdag.

De rouwklacht ‘Adonais’, die de Engelse romanticus Percy Shelley in 1821 schreef voor de jonggestorven dichter John Keats, troost haar. Hij bevat de klassieke gedachte dat de dode bevrijd is van alle lijden van het leven op aarde. Een fragment:

He has outsoar’d the shadow of our night;

Envy and calumny and hate and pain,

And that unrest which men miscall delight,

Can touch him not and torture not again;

From the contagion of the world’s slow stain

He is secure, and now can never mourn

A heart grown cold, a head grown gray in vain;

 

 

Circa 1948

Dicky is in zekere zin voorgoed veilig. De eerste regel van dit fragment zal het motto worden van Vasalis’ volgende bundel De vogel Phoenix.

De droomgeliefde

 

Na haar derde bundel Vergezichten en gezichten (1954) verliest Vasalis veel van haar vermogen tot dichten. Tot haar verdriet. Maar op hoge leeftijd lijken zowel haar innerlijk leven als haar creativiteit weer aan kracht te winnen. Haar dagboeken documenteren met verwondering wat zich in haar dromen ontrolt. Ongeveer twee keer per jaar heeft ze dezelfde droom, zo schrijft ze al in 1985:


een korte ontmoeting met een man, die ik nooit gezien heb – altijd dezelfde. Er is onmiddelijke, onmiskenbare liefde tussen ons, waarbij hij met een blik of een woord belooft terug te komen, wat ik onvoorwaardelijk geloof. Hij is altijd na een kort ogenblik weg, hij is altijd op weg, omdat dat blijkbaar niet anders kan. Ik aanvaard dat, hij is ouder en heeft de leiding, en iedere keer denk ik: maar ik ben al in de zeventig! al zie ik er uit of ik twintig ben in die droom. Vannacht ontmoette ik hem in een bloemenwinkel, die tegelijk een laboratorium was. Hij was op het punt om weg te gaan, stond stil, keerde zich naar me toe, stak een hand uit, snakte naar adem, maar kon niet spreken en ging weg.

Een terugkerende droom wil aan de dromer iets duidelijk maken. Waar kan deze aantrekkelijke man voor staan? Kiek heeft in het verleden met de gedachte gespeeld om dagboeknotities te beginnen met de aanhef ‘geliefde’, maar kon zichzelf daar toch niet toe brengen. Alsof ze zich die denkbeeldige geliefde ontzeggen moest. Alsof ze toch niet in zo’n ‘eigen maaksel’ kon geloven, zoals Anne Frank wel geloven kon in haar ‘Kitty’ – de denkbeeldige vertrouwelinge tot wie ze zich richtte. Maar het beeld van de geliefde manifesteert zich toch, tegen de verdrukking in, en wel in dromen vanaf Kieks tachtigste jaar. Die dromen houden aan. Ze blijven altijd gaan over zo'n fascinerende man, die ze na de ontmoeting steeds ook weer verliest:


Droom: grote bijna lege kamer op een eerste verdieping, grote ramen. Toch niet erg licht. Buiten een grasveld, waarheen het feest in de kamer zich langzamerhand verplaatst. Van het begin af – ik schijn het feest te geven en het is een offer-feest waar ik tenslotte aan zal gaan – is er in de kamer een niet-meer jonge, donkere brede man, een buitenlander. Een passant die door goedwillenden naar me toe wordt gestuurd maar vrij angstig nee schudt en in een hoek blijft staan kijken. Hij kijkt bij alle dansen en gesprekken en er staat iets noodlottigs vast. Dan scheidt de stroom mensen ineens in tweëen. De helften wijken door de ramen terug, terwijl dat gebeurt komt hij op me af als een slaapwandelaar. In onze omhelzing is een zelden ervaren opluchting, tot op de bodem waar geluk en verdriet niet te onderscheiden zijn. De kamer waarin we dansen is nu leeg en buiten is het heel licht en feestelijk geworden. Hij vraagt wat, ik zeg ja en we gaan haastig weg. Ik verdwaal en een klein meisje zegt dat mijn haar los is. Ik probeer het op te steken en kijk uit een vuil badkamer-raam naar buiten. Er staat een grote zwarte auto. Daar zit hij in, tussen twee mannen, die rechercheurs zijn. Ik zie zijn mond open gaan maar ik kan niets horen, ze rijden weg, hij mag niet omkijken maar uit zijn rug wuift een brede mooie hand langzaam vaarwel.

Een offerfeest waar de ‘ik’ eraan zal gaan – dus zelf het offer is – lijkt een beeld van de naderende dood. Het doet denken aan Le Sacre du Printemps, het befaamde ballet van Diaghilev op muziek van Stravinski, waarin het meisje dat geofferd wordt zich op het offerfeest dood danst. Dan komt de geliefde, het volk wijkt uiteen om hem door te laten. Ze omhelzen en dansen, tot de man als een misdadiger wordt weggevoerd. De brede mooie hand die uit zijn rug steekt – en haar op onnatuurlijke wijze vaarwel wuift – wekt associaties met het ‘wuiven van een lange kinderhand’ – beeld voor de buiging van de kustlijn – in ‘Fragmenten V’ (Vergezichten en gezichten). De droom van de man die steeds niet kan blijven, die ze snel na de ontmoeting alweer verliest, doet ook denken aan de Orpheus en Eurydice-mythe. In dit geval is de man, Orpheus, de geliefde die terugkeren moet naar onderwereld, sprakeloosheid of gevangenis. Beide dromen bevatten het element van het omkijken op het moment van scheiding. Maar de ‘ik’ is in deze dromen degene die haar Orpheus verliest: de rollen zijn omgekeerd. De Orpheus en Eurydice-mythe wordt vaak opgevat als een mythe over het kunstenaarschap. Orpheus’ zang en lierspel waren magisch en nadat hij Eurydice verloor bezong Orpheus zijn verdriet tot het einde zijner dagen, zo mooi, dat de stenen ervan braken. Vasalis’ terugkerende dromen over de man die verschijnt en verdwijnt zou ook een verbeelding van de haar ontsnappende creativiteit kunnen zijn. Dat was niet minder dan een obsessie voor haar, hetgeen het terugkeren van de droom verklaart: terugkerende dromen adresseren vaak onopgeloste configuraties in de psyche. Creativiteit is in de westerse cultuur mannelijk geconnoteerd. De droomman is een innerlijke man, in Jungiaanse termen een animus-figuur. In Jungs visie zijn mensen psychologisch biseksueel: elke man heeft een vrouwelijk element in zich, elke vrouw een mannelijk element en daardoor zijn mensen psychologisch compleet. Het schrijven – en de stemming waarin ze dat kon – had voor Vasalis een erotische lading: het maakte haar altijd gelukkig, als het ging. De verbeelding van de creatieve kracht als een fascinerende geliefde, maar dan een die haar steeds ontsnapt, lijkt heel adequaat.

Er is nog zo’n grote droom:


ik was in London en werd rondgeleid in gerenoveerde slums. Door een man, die ik uit mijn eerste droom herkende, en die de architect van de vernieuwing was. Hij was niet jong, niet echt oud en hij liep en sprak met dichte ogen. Een stevige, niet dikke man met kort grijs haar. Af en toe deed hij zijn ogen open. Die waren groot en lichtblauw en de blik ervan was zo wakker en al-omvattend, dat ik nu begreep waarom hij maar zo even keek. De huisjes in die gerenoveerde straat waren gemaakt van zwarte, zacht-glanzende plasticine. Van binnen was geen enkele gelijk. De bedoeling was, dat iedere bewoner zijn kamers zelf kon kneden (de plasticine was zacht). In een schuurtje stonden nog gamellen ongebruikte plasticine je kon alle wanden weghalen, of zijkamertjes er bij kneden, In één kamertje was een nis in de muur en in die nis stond een soort Afrikaans godenbeeld, dansende. Ervoor in de vloer de afdruk van twee blote voeten. Verder weet ik niet meer, maar ik was tot in mijn ziel overtuigd dat dit ‘de’ oplossing was, en dat die architect een ziener was.

Deze wonderbaarlijke droomgeliefde heeft zulke merkwaardig prachtige ogen dat men er haast niet in kan kijken. De woorden ‘wakker en al-omvattend’ roepen een boeddhistische visie van het Zijn op, waarin men ik-loos wordt en zich totaal geaccepteerd en geborgen voelt. (Dat is overigens mijn associatie, want Vasalis kon geen enkele gevestigde religie of spirituele wereldbeschouwing als de hare accepteren. Ook het boeddhisme niet, dat Jan lange tijd boeide. Kiek gaat uitsluitend op haar eigen gezichten en vergezichten af.) De droom-man is hier ook ‘architect van de vernieuwing’ – een kunstenaar. De ‘ik’ kan in deze droom de vernieuwing zelf vormgeven door haar eigen huis te kneden. Hij, het creatieve genie, heeft de voorwaarden geschapen voor haar kunstenaarschap. Wie zijn eigen huis kan kneden, kan als het ware wonen in het product van zijn eigen creativiteit, hetgeen bij mij meteen de regel van Slauerhoff, ‘Alleen in mijn gedichten kan ik wonen’ oproept. De afdruk van twee blote voeten doet denken aan de slotregel uit Vergezichten en gezichten: ‘Kom, lopende op blote voeten’. In een brief aan Ida Gerhardt heeft Vasalis eens geschreven dat zij het gebied van de poëzie alleen met blote voeten kan betreden! De droom biedt een schitterend beeld van herstel van de creatieve kracht, hereniging ermee, in elk geval van een positieve transformatie, op de drempel van de dood. Hij toont dat de ziel niet sterft, maar zich onophoudelijk blijft verjongen. Zulke droombeelden zijn ongetwijfeld de voedingsbodem geweest voor het late gedicht ‘Droom’, dat is opgenomen in de postume bundel De oude kustlijn en dat – zoals bij Vasalis vaker het geval is – ook het min of meer letterlijke verslag van een werkelijke droom kan zijn:

Droom

Om dit te laten gebeuren moet de ‘ik’ alleen zijn: los van het collectief, ‘van een optocht losgeraakt’. Dat is geen wilsdaad, maar een toeval. Creativiteit valt haar ook toe als een genade, ze kan die nooit afdwingen. Het bij Vasalis structurele sleutelwoord ‘ineens’ luidt de wonderlijke gebeurtenis in. Dat de pijlers bomen worden en het beton losse grond, is een belangrijk transformerend moment: de scène verandert van cultuur naar natuur. Blijkbaar kan niet alleen de levende natuur tot asfalt worden, wat bij het ouder worden gebeurt, maar kan deze verstarring ook worden omgekeerd. De natuur herneemt hier haar rechten over het beton. De vitaliteit komt terug. Precies in de spanning van het moment dat de omhelzing een aanvang gaat nemen houdt het op: ‘soms sta ik in dit evenwicht/ als een pijl trillende opgericht’ heet het in een ander gedicht (‘Aan het vers’). Dit moment is even erotisch als poëticaal. Als Jung gelijk heeft dat de ziel naar voltooiing streeft bij het naderen van de dood, dan is voor Vasalis de hereniging met het dichterschap, dat haar royaal werd geschonken in haar jongere jaren, om haar vervolgens te ontvallen, een voltooiing. Deze dromen helen de wond van het verlies van de creativiteit. In de droom komt deze terug.

 

Uitreiking van de Constantijn Huygens-prijs. Foto: Wolson, 1974

Hij komt ook in de werkelijkheid terug, maar niet vanzelf. De creatieve opleving die Vasalis in haar allerlaatste levensjaren meemaakt is te danken aan het toespitsen van haar energie op dichten. Ze is ingespannen en bijna dagelijks bezig, niet alleen met weggooien maar ook met schrijven. Ze dwingt een concentratie af die valt in de categorie ‘nu of nooit’. Ze schrijft de te behouden gedichten allemaal nog eens over in definitieve versie. Sommige liggen er al meer dan een halve eeuw, zoals de liefdesgedichten waarmee De oude kustlijn opent, waarvan de eerste drie van voor haar huwelijk dateren.

Als je me kust, je hand om mijn keel

Er komen ook nieuwe gedichten tot stand, vaak heel korte. Een enkele keer gaat het bijna zoals vroeger en kan ze het gedicht in één keer opschrijven. ‘Gezichten’ blijven haar ook overkomen, zoals op 10 maart 1998:


bij het wakker worden om 6.30 Ochtendlicht egaal gespreid – nauwlijks licht. Op mijn rug, de dekens glad, hoofd recht op het kussen. Ik zag dat als toeschouwer. Mijn hoofd was een postzegel op een nog niet geadresseerde brief, gesloten. Het duurde lang.

Er vond iets plaats. Het element van passiviteit valt op, van gehanteerd worden en dat zelf zien, van klaargemaakt worden voor verzending naar onbekende bestemming. Op grond van een dergelijke beleving komt het vers soms moeiteloos.

Opmerkelijk aan sommige van Vasalis’ ouderdomsgedichten is dat ze een hervonden jongheid evoceren. Terugkeren naar de jeugd vindt weliswaar vaak in Vasalis’ oeuvre plaats, maar in gedichten van een hoogbejaarde is dit toch opmerkelijk:

De wielewaal werpt keer op keer
Bij het Leekstermeer, circa 1996

Als zeer oude vrouw heeft Vasalis nog, of opnieuw, contact met het meisjesachtige verlangen met alle spannende beloften van erotiek. Er is sprake van een val terug in de tijd: de oude ‘ik’ kan zich plotseling weer jong voelen. Iets nog extremers gebeurt in het zeer korte gedicht ‘Ouderdom’, waar Vasalis het sterven vergelijkt met het uitvliegen van een jonge vogel:

Ik oefen als een jonge vogel op de rand

Einde en begin reiken elkaar door dit beeld de hand. 
Vasalis ouderdomswerk beweegt zich naar een lichtheid en bevrijding die jong is, leeftijdsloos. ‘Als de lente van de dood’: zo lijkt Vasalis haar levenseinde werkelijk te hebben beleefd.

Wie meer wil weten over hoe al deze verbanden samenkomen:

lees ‘Leeftijd, seksualiteit en creativiteit bij M. Vasalis’

over die vorm van ontgrenzing die hier nog maar kort aan de beurt kwam: het verlies van de seksualiteit.

Ook daarover vind je in Vasalis’ werk meeslepende gedichten.

 

 

Colofon

Tekst MAAIKE MEIJER. Zij schreef eerder M. Vasalis. Een biografie. Amsterdam, Van Oorschot, 2011.

Regie opname RENÉE VAN MARISSING

Productie opname KLEVR SOUNDDESIGN

De gedichten van Vasalis worden voorgelezen door ROOS OUWEHAND

Eindredactie AAFKE VAN HOOF

 

Meer literatuur over M. Vasalis:

Leon Hanssen, Een misverstand om in te geloven. De poëzie van M. Vasalis. Amsterdam, Athenaeum-Polak & Van Gennep, 2007.

 

Maaike Meijer, ‘M. Vasalis en de reis naar de onderwereld’, in. W. Kusters (red), ‘In een bezield verband’. Nederlandstalige dichters op zoek naar zin. Vught, Thomas More Academie, 1991. p. 215-235.

 

Herman de Coninck, ‘De eeuwigheid nu’, in: id., Over de troost van pessimisme: essays. Antwerpen: Manteau, 1983. p. 75-89.

 

Dirk Kroon, Ik heb mezelf nog van geen ding bevrijd : een bundel opstellen over de poëzie van M. Vasalis. ’s-Gravenhage: BZZTôH, 1983.

Sluit Playlist
Lees bijbehorende passage
Deel dit fragment