J.
Bernlef

1984

Constantijn Huygens-prijs
Dichter, schrijver, vertaler en toneelschrijver J. Bernlef (1937-2012) kreeg de Constantijn Huygens-prijs 1984 voor zijn gehele oeuvre.

‘Afgezien van zijn vertalingen heeft J. Bernlef tot op heden een vijftigtal boekpublicaties op zijn naam, waaronder 15 dichtbundels, 20 verhalenbundels en romans, 8 essayboeken en 3 toneelstukken,’ telde de jury. Daarnaast was hij in 1958 medeoprichter van Barbarber, literair tijdschrift van de Zestigers-generatie, en vanaf 1977 redacteur van tijdschrift Raster.

 

In 1984 was Hersenschimmen verschenen, de roman over de aan alzheimer lijdende Maarten Klein. ‘Een specifieke vorm van verdwijnen is het oud worden,’ schreef de jury. ‘De bejaarde mens zakt langzaam weg in het donkere gat van het verleden. Dit gegeven, intrigerend aanwezig in De man in het midden en in de verhalenbundel Hondedromen, heeft Bernlef ook indrukwekkend vorm gegeven in zijn dit jaar verschenen roman Hersenschimmen.’

 

In het juryrapport werd vooral ingegaan op Bernlefs rol bij beide literaire tijdschriften en op de literatuuropvatting die daaruit sprak: ‘Aan Barbarber, het nieuw-realistische tijdschrift dat de grens tussen literaire en niet-literaire teksten op wou heffen, en Raster, het progressieve tijdschrift dat de literatuur als een grensverleggend avontuur wil zien, zijn in zijn opvatting twee tegengestelde poëtica’s verbonden: binnen de ene visie wordt werkelijkheid via taal waargenomen en geregistreerd, volgens de andere wordt werkelijkheid door taal gemaakt. Maar zuiver in de leer is een schrijver van het type en formaat Bernlef nooit. Wie goed toekijkt vindt die beide literatuuropvattingen van meet af aan in mengvormen in zijn werk terug, en ziet dat zijn ontwikkeling vooral uit het verschuiven van accenten bestaat. Over Barbarber zei hij: “Vanaf het begin ademde het blad een gezonde relativiteit ten opzichte van alles”, en in ruimer verband: “Mijn enige geloof was de twijfel. Ik noemde mijzelf een waarnemer en de belangrijkste eigenschap van een waarnemer is voortdurende twijfel aan de eigen waarnemingen”. Deze uitspraken krijgen vooral betekenis door de verregaande consequenties die Bernlef eraan heeft verbonden, en die aan zijn werk hetzelfde karakter verlenen als aan de door hem waargenomen werkelijkheid zelf: onder een onschuldig lijkende oppervlakte van nuchtere, exacte, gedetailleerde beschrijving gaan verontrustende, vaak destructieve krachten schuil. Conventionele veiligheid berust op afbakeningen en grenzen, waardoor bijvoorbeeld leven en dood, werkelijkheid en fictie ordelijk van elkaar worden gescheiden. Wie de grenzen verlegt of opheft – Bernlef doet het voortdurend – roept veranderingen, verborgen verschijnselen, onvermoede krachten en gevaar op. Al in vroege dichtbundels uit de jaren zestig als Kokkels en Morene betekent schrijven niet de herkenbare, vertrouwde werkelijkheid bevestigen maar vervreemden. (…) Trouw aan een eigen, oorspronkelijk schrijverschap heeft J. Bernlef in verscheidenheid van genres en met een groot arsenaal van literaire middelen het thema van grensverschuiving en vergankelijkheid gemaakt tot een fascinerend leesavontuur.’

Jury

Van de jury maakten deel uit: Harry Bekkering, Margaretha Ferguson, Han Foppe, Gerrit Kamphuis, Anton Korteweg, André Matthijsse, Harry Scholten en Paul de Wispelaere.

Uitreiking

Aan de prijs was een bedrag van 9.000 gulden verbonden. De uitreiking vond plaats op vrijdagavond 21 december 1984 in het Haagse stadhuis.

 

Credits portretfoto: Joost Evers / Anefo / Nationaal Archief, CC0