Paul
Snoek

1971

Jan Campert-prijs
Paul Snoek (1933-1981) kreeg de Jan Campert-prijs 1971 voor zijn bundel Gedrichten.

Voluit heette de bundel Gedrichten: gedokumenteerde aktualiteitspoeŐązie en/of alternatieve griezelgedichten (1971). In de Brusselse krant De Standaard verklaarde de dichter: ‘Het woord gedricht is nieuw en indien het ooit in het Woordenboek der Nederlandse taal terechtkomt, waar ik sterk aan twijfel, zal het best omschreven worden als volgt: in het enkelvoud een cynisch sadistisch gedicht dat de lezer figuurlijk en soms letterlijk kippevel bezorgt; in het meervoud de soortnaam van een nieuw genre in de poëzie, namelijk het totaal vernietigende genre, niet te verwarren met anti-poëzie, die zichzelf vernietigd.’ In mei 1971 schreef hij na een tijd van stilzwijgen, tussen Parijs en Rijsel, zijn eerste gedricht, vertelde hij aan NRC. ‘Een gedicht dat geen gedicht meer was maar een afrekening.’ Met de traditionele lyrische poëzie, welteverstaan. Gedricht ontstond ‘uit de versmelting van de woorden gedicht en gedrocht’.  

 

Paul Snoeks oeuvre telde inmiddels een 12-tal bundels en enkele verzameledities. ‘Het is niet verwonderlijk,’ schreef de jury, ‘dat een zo’n regelmatige verschijning op het dichtersfront ook in bloemlezingen van en commentaren op de avantgardistische poëzie van de jaren ’50 en ’60 optreedt. Wel lijkt dit optreden daarbij eerder bepaald door het niveau van het werk dan door een partijgangerschap. De poëzie van Paul Snoek onderscheidt zich namelijk van die van veel van zijn tijdgenoten door een meer lyrische dan anekdotische toon en ook anderszins blijkt Snoek veel minder dan vele collega’s toegankelijk voor experimenten op het vlak van woordgebruik en dichterlijk materiaal. “De inhoud van mijn werk,” zo heeft hij zelf eens verklaard, “bestaat uit een tiental sleutelwoorden als water, schaduw, licht, duister, goud, weelde, waarheid, verte, ruimte, aarde, dragen, worden.” (…) 

'De poëzie van Paul Snoek onderscheidt zich namelijk van die van veel van zijn tijdgenoten door een meer lyrische dan anekdotische toon,' 

Wanneer men de nieuwste bundel (…) vergelijkt met het vroegere werk – de rijpe verzamelbundel Gedichten ’54-’68 van twee jaar geleden bijvoorbeeld – dan blijkt er zowel sprake van aansluiting als vernieuwing. Nieuw is het accent op motieven die ook krant, radio en televisie als eigentijdse problematiek bieden. Blijvend is daarbij – en voor ons belangrijkste reden voor onderscheiding – het feit dat Paul Snoek erin slaagt door een sober en doeltreffend taalgebruik, door de ritmische spanning van het vers, door ironie en verrassende wendingen het gedicht boven zijn aanleiding uit te tillen.’  

 

Paul Snoek debuteerde in 1954 met de bundel Archipel en was in 1955 met Gust Gils, Hugues C. Pernath en Tone Brulin oprichter van het Vlaamse avant-gardetijdschrift Gard Sivik. Met hen wordt hij gerekend tot de Vijfenvijftigers, de Vlaamse reactie op de Vijftigers. In 1963 ontving hij de Arkprijs van het Vrije Woord voor de bundel Renaissance en in 1968 de Driejaarlijkse Staatsprijs voor de Vlaamse poëzie voor De zwarte muze. In 1971 had Snoek ook zijn Gedichten voor Maria Magdalena uitgebracht, in eigen beheer en met een erotisch omslagontwerp van eigen hand. Hij was ook schilder en prozaïst.  

Jury

Van de jury maakten deel uit: Gerrit Borgers, Pierre H. Dubois, Gerrit Kamphuis en Harry Scholten.

 

Uitreiking

Aan de prijs was een bedrag van 3.000 gulden verbonden. De uitreiking vond plaats op woensdagavond 22 december 1971 in het Haagse stadhuis. 

 

Credits portretfoto: Archief Jean-Pierre Vandenberghe / Collectie Stad Antwerpen, Letterenhuis