Ed
Leeflang

1980

Jan Campert-prijs
Ed Leeflang (1929-2008) kreeg de Jan Campert-prijs 1980 voor De hazen en andere gedichten.

‘In het titelgedicht “De hazen” is het de dans van twee hazen die de toeschouwers hun, zoals het wordt genoemd “eigen argwanendheid en/ verloren natuurlijkheid” doet ervaren,’ aldus de jury. ‘De wijze waarop Leeflang deze ervaring in poëzie weet vorm te geven letterlijk: weet te ver-beelden, maakt dat de lezer zijn hazen voor zich ziet, die hazen met hun aandoenlijke en overduidelijke oren aan, die hem een existentiële beleving opdringen. Dat laatste is wat plechtig gezegd, het zijn dan ook niet de woorden van Ed Leeflang. Het is juist één van de kwaliteiten van zijn poëzie dat ook zeer emotioneel geladen onderwerpen, zoals de complexe moeder/zoon-relatie en die van de ouders tot het kind, op natuurlijke wijze worden behandeld. De subtiele uitbuiting van ritme en rijm ondersteunt deze schijn van onopzettelijkheid. Ed Leeflang signaleert in zijn bundel het bestaan van “Gedichten die zo goed geschreven zijn/ dat ze er altijd zijn geweest”. De aanwezigheid daarvan in zijn bundel is voor de jury reden geworden om De hazen en andere gedichten voor te dragen ter bekroning met de Jan Campertprijs.’ 

 

Het was in 1979 de debuutbundel van de vijftigjarige dichter. Wel had hij in 1952 een eervolle vermelding gekregen van de Reina Prinsen Geerligs-jury voor zijn bijdrage ‘Vliegeren in de schemer’. De gedichten in De hazen en andere gedichten gaan over afkomst, ouders, jeugd, een ongelukkig huwelijk, kinderen, Zeeland en Amsterdam, en zijn persoonlijk en traditioneel van toon.  

'Ed Leeflang signaleert in zijn bundel het bestaan van “Gedichten die zo goed geschreven zijn/ dat ze er altijd zijn geweest”'

Het was in 1979 de debuutbundel van de vijftigjarige dichter. Wel had hij in 1952 een eervolle vermelding gekregen van de Reina Prinsen Geerligs-jury voor zijn bijdrage ‘Vliegeren in de schemer’. De gedichten in De hazen en andere gedichten gaan over afkomst, ouders, jeugd, een ongelukkig huwelijk, kinderen, Zeeland en Amsterdam, en zijn persoonlijk en traditioneel van toon.  

NRC schreef over de paradox die Ed Leeflang onder woorden bracht in de bundel. ‘Isolement en contact werken in elkaar door: de dichter wordt steeds tussen twee polen heen en weer geslingerd. Vaak lijken de gedichten daarbij pogingen om de balans op te maken. Op uiterst nauwkeurige wijze probeert Leeflang zich rekenschap te geven van het spanningsveld waarin hij verkeert. Daarbij zijn de gedichten ontroerend door de welhaast “meedogenloze” beschrijvingen die Leeflang van zichzelf geeft.’ 

 

‘De dichter die in het begin van de jaren vijftig debuteerde was geen “vijftiger” maar iemand die over de experimentelen heen aansluiting heeft gevonden bij de poëzie van Nijhoff, Bloem en Adriaan Roland Holst,’ schreef Anne Marie Musschoot in Ons Erfdeel. ‘Geen pathos, geen retoriek, geen grootspraak, geen ontwrichting van beelden, woorden en syntaxis, maar heldere, vloeiende, “gewone” formuleringen. De aandacht en “eerbied voor de gewone dingen” verbindt de poëzie van Leeflang echter niet alleen met die van Bloem en Nijhoff, maar verleent ze tegelijk een zeer modern karakter (…).’  

 

Herman de Coninck schreef in 1981 in Tirade: ‘Het vervelende van Ed Leeflang is dat ik zijn eerste bundel De hazen en andere gedichten prachtig vond maar dat ik er verder niks over kon zeggen. Natuurlijk was dit een poëzie vol knappe truuks, maar de belangrijkste truuk was toch dat Leeflang gewoon meesterlijke regels schreef, en verder niks.’ 

Jury

Van de jury maakten deel uit: Harry Bekkering, Pierre H. Dubois, Margaretha Ferguson, Han Foppe, Jacques den Haan, Gerrit Kamphuis, Anton Korteweg, André Matthijsse en Paul de Wispelaere.

 

Uitreiking

Aan de prijs was een bedrag van 4.000 gulden verbonden. De uitreiking vond plaats op vrijdagavond 19 december 1980 in het Haagse stadhuis. 

 

Credits portretfoto: Ben Wolson / Literatuurmuseum