T.
van Deel

1987

Jan Campert-prijs
T. van Deel (1945-2019) kreeg de Jan Campert-prijs 1987 voor zijn bundel Achter de waterval.

‘Zijn poëzie is de levendige getuige van de vruchtbare verbintenis die gedachten en beelden kunnen aangaan,’ aldus de jury.  

 

‘De verhouding tussen T. van Deel en de poëzie lijkt heel broos. Zijn gedichten geven in niet meer dan één strofe meestal de verbeelding van één gedachte te zien. Bovendien heeft hij sinds 1974, toen zijn vorige bundel verscheen, niet meer dan 23 gedichten geschreven. Toch heeft hij als dichter even veel van een ijsberg: het grootste deel van wat hij met poëzie te maken heeft, is verborgen. (…) 

 

Hield de dichter Van Deel zich de afgelopen jaren verborgen achter de criticus, de tijdschriftredacteur, de essayist, de interviewer en de wetenschappelijke tekstbezorger, Achter de waterval toont aan hoe groot de dichter in die betrekkelijke onzichtbaarheid, wachtend op gedichten, is gebleven.’  

 

In 1969 debuteerde T. van Deel als dichter met de bundel Strafwerk. Hierna volgden Recht onder de merels (1971) en Klein diorama (1974). Met de tweede bundel werden zijn gedichten hechter en compacter, schrijft Rob Schouten in het begeleidend essay. ‘Dat is zelfs visueel zo. Witregels verdwijnen, de onderverdeling in aparte afdelingen verdwijnt, en de gedichten beginnen de vorm te krijgen die ze tot op de dag van vandaag hebben. Het worden voor het oog gesloten blokjes tekst, symmetrisch.’ De samengebalde mededeling, daar leek het Van Deel om te doen. Met Recht onder de merels vond hij zijn vorm, aldus Schouten, in Klein diorama spitste hij de inhoud verder toe en werd hij abstracter. ‘De concrete aanleidingen worden langzaam uit de tekst gebannen. Geen namen, geen gebeurtenissen, geen familieleden, zelfs de natuur moet het grotendeels zonder haar soortnamen rooien. Het gedicht wordt enige stadia verder geschreven dan wat het er wellicht toe heeft geïnspireerd.’ In Achter de waterval ziet hij een grotere thematische verscheidenheid. ‘Op psychologisch niveau is de bundel daarmee rijker en gecompliceerder dan de vorige. De dichter verleent stem aan zijn innerlijke tegenspraak.’

'Achter de waterval toont aan hoe groot de dichter in die betrekkelijke onzichtbaarheid, wachtend op gedichten, is gebleven.'

De vorm bleef compact, zonder wit. In HN Magazine zei Van Deel in 1987: ‘Ik ben steeds weer de dichter van één versje. Mijn poëzie is inderdaad witloos, als een steen of als een schilderijtje. De gedachte komt wel eens op, dat ik met de titel een spijker in de muur sla, en daar hangt dan mijn versje aan.’ 

 

De jury haalde uit Achter de waterval (1986) het gedicht ‘Een steen’ aan, waarin het genot van de steen stond voor het genot van de dichter, maar ook voor dat van de lezer. Tijdens de prijsuitreiking las Van Deel het voor:  

 

Een steen in de beek verveelt zich niet, 

water glijdt langs en groet vluchtig, 

hij blijft in beweging van denken, omspoeld 

door suggesties, geduldig geslepen. Daar 

ligt hij, vast in de bocht, schijnt de zon 

een vrolijk tafereel: een steen die zich 

niet verveelt, die ziet hoe het toegaat, 

verandert, verdwijnt en aldoor bestaat. 

 

T. van Deel was criticus voor de Haagsche Courant en vanaf 1969 voor Trouw. Hij doceerde moderne Nederlandse letterkunde aan de UvA en was van 1974 tot en met 1980 redacteur van De Revisor. Met Hugo Brems en Ad Zuiderent vormde hij vanaf 1980 de redactie van het Kritisch Lexicon van de Nederlandstalige Literatuur na 1945. Als tekstbezorger was hij betrokken bij de uitgave van het nagelaten werk van Chr. J. van Geel en S. Vestdijk.

Jury

Van de jury maakten deel uit: Harry Bekkering, Margaretha Ferguson, Han Foppe, Anton Korteweg, Jan van der Vegt, Herman Verhaar, Anne de Vries, Paul de Wispelaere en Ad Zuiderent.

 

Uitreiking

Aan de prijs was een bedrag van 5.000 gulden verbonden. De uitreiking vond plaats op vrijdagavond 11 december 1987 in het oude stadhuis aan de Javastraat in Den Haag. 

 

Credits portretfoto: Ben Wolson / Literatuurmuseum