Zoeken

Waldie van Eck

(1896-1968)
Oswaldina (‘Waldie’) van Eck was hoofd van de bibliotheek te Amsterdam, waar ze bevriend raakte met schrijvers als Nescio en J.J. Slauerhoff, die ‘vele van haar gedichten van buiten bleek te kennen’, zoals schrijfster en goede vriendin Annie Salomons memoreert. Van Eck publiceerde gedichten in het literaire tijdschrift Groot Nederland en Elseviers Geïllustreerd Maandschrift, een dichtbundel van haar is echter nooit verschenen.
De afbeelding toont een kunstzinnig portret van Waldie van Eck. Gemaakt door: Jacob  Kaas
Vervaardigd 1925
Techniek Gemengde technieken
Afmetingen 90 x 75 cm

Waldie van Eck

door Jacob Kaas (1898-1972)

Een zelfverzekerde, moderne vrouw. Zo werd Waldie van Eck in 1925 vastgelegd door de bevriende schilder Jacob Kaas, die in de periode 1925-1936 beeldhouwer voor de stad Amsterdam was en lesgaf op scholen. Hij was getrouwd met Elisabeth de Mooij, die onder het pseudoniem Eva Raedt-de Canter romans schreef en net als Van Eck publiceerde in het tijdschrift Groot Nederland. Als Van Eck werk instuurt naar De Gids en een kritische afwijsbrief van A. Roland Holst krijgt, stopt ze met dichten en wijdt ze zich aan kinderversjes en vertalen.

Van Eck reisde veel, ook voor haar werk als bibliothecaresse. Zo maakte ze in 1928 een studiereis naar de Verenigde Staten met een beurs van 1000 dollar, waar ze kennismaakte met het fenomeen van de Public Library. Het waren bibliotheken die een belangrijke sociale functie vervulden, met studieclubs en veel activiteiten voor kinderen, met name van ‘de emigranten, die de Engelsche taal niet machtig zijn’. In 1930 houdt Van Eck in Leeuwarden op een congres voor bibliothecarissen een voordracht: ‘Amerikaansche bibliotheekindrukken’ en na afloop werd er langdurig geaplaudisseerd, zo meldde De Leeuwarder Courant.

Volgens Annie Salomons leefde Van Eck ‘altijd op de toppen van het enthousiasme’ en had ze ‘geen aanleg voor geregelde uren; ze lag soms de hele nacht tot den ochtend te lezen in een boek, dat ze al of niet wilde aanschaffen. Dan kon ze niet tijdig op haar werk zijn. Haar assistentjes, die haar voor het grootste deel zeer toegedaan waren, vingen haar afwezigheid zo goed mogelijk op, maar haar baas vond het een ongeregelde toestand en raadde haar vriendelijk voortijdig af te treden’.