← Terug naar Biografieën

Gerard Walschap

Aanvankelijk wil Gerard Walschap als missionaris ‘grootse dingen doen, volkeren bekeren’, maar nog voor afronding van zijn theologische studie kiest hij voor het schrijverschap. Hij wordt door zijn opvattingen in Vlaanderen een omstreden auteur, die het met name flink te stellen krijgt met de alom aanwezige katholieke kerk. Later geldt hij als één van de belangrijkste Vlaamse romanciers, die in een heldere, onopgesmukte stijl een groot oeuvre publiceert. Ook als essayist en criticus maakt Walschap naam. Aan het eind van zijn lange leven brengen jonge auteurs zoals Tom Lanoye openlijk hulde aan inmiddels baron Walschap.

 

Seminarie

Jacob Lodewijk Gerard Walschap is het oudste kind van herbergier Florent Walschap en kruidenierster Anna Peeters. Na hem krijgen ze nog zeven kinderen. Walschap bezoekt het Klein Seminarie in Hoogstraten en Asse en studeert filosofie en theologie in de missiecongregatie van het Heilig Hart. Voordat de hogere wijdingen ontvangt, treedt hij uit, hij beseft dat hij niet geschikt is voor het priesterschap en het celibaat. Hij is werkzaam als redactiesecretaris van Het Vlaamsche Land (1923-1928) en Hooger Leven (1928-1938). Daarna is hij lange tijd inspecteur van het bibliotheekwezen. Hij debuteert met religieus-romantische poëzie: Liederen van leed (1923) en De loutering (1925). Ook zijn eerste roman Waldo (1928) is nog religieus-humanitair van toon. In 1925 is hij getrouwd met Marie-Antoinette Theunissen, zij krijgen vier zonen en een dochter.

 

Vlijmscherpe analyse

Walschap, die ook een gretig lezer is, ontwikkelt zich in de jaren dertig tot een schrijver met een zeer expressieve stijl, die nog maar een sober gebruik maakt van streek gebonden uitdrukkingen en die duidelijk afstand neemt van de alom aanwezige katholieke kerk. De romans Adelaïde, Eric en Carla vormen tesamen De familie Roothooft (1939) dat de ondergang van een familie beschrijft door drie generaties te volgen. Het boek wordt door de kerk op de Index geplaatst, Walschap wordt uitgemaakt voor pornograaf en afvallige. Over de strijd met de rooms-katholieke kerk zal hij later schrijven in Vaarwel dan (1940) en Salut en merci (1955) en in de roman Manneke Maan (1954) Walschap publiceert een groot aantal psychologische romans. De mens is naar zijn opvattingen niet voor een evenwichtig bestaan in de wieg gelegd, maar onderworpen aan irrationele, onbewuste impulsen, vervuld van angst- en schuldgevoelens, maar altijd op zoek naar bevrijding. Het existentiële lot van de mens wordt door Walschap vlijmscherp geanalyseerd in een stijl die zeer modern aandoet. Ook in de jaren dertig verschenen Een mens van goede wil (1936) en Houtekiet (1939), twee bekend gebleven romans. Een mens van goede wil beleeft een revival door de bewerking voor de televisie. De hoofdpersoon kan geen onrecht verdragen en trekt de uiterste consequentie uit zijn naastenliefde. ‘Houtekiet is de nieuwe mens, de man die verstandig en bekwaam leeft, seksueel en creatief, rechtvaardig en volkomen los van zijn voormalig geloof.’ In deze roman belijdt Walschap een humanistisch vitalisme, dat volkomen losstaat van het geloof van zijn jeugd. Een vervolg, Nieuw Deps, verschijnt in 1961. Julien Weverbergh noemt zijn van Manteau afgescheiden uitgeverij naar de roman van de door hem bewonderde Walschap.

 

Later werk

Ook na de oorlog blijft Gerard Walschap romans schrijven. In Zwart en wit (1948) beschrijft hij de bezettingstijd in Vlaanderen, Oproer in Congo (1953) gaat over het kolonialisme en verhaalt over een gijzeling van blanken door de inheemse bevolking. Zuster Virgilia (1951) is één van Walschaps belangrijkste werken. De twee hoofdpersonen, broer en zus, symboliseren de strijd tussen gelovigen en niet-gelovigen. In de jaren zestig publiceert Walschap drie modernistische romans, die op een verhulde manier over zijn innerlijke leven gaan: Alter ego (1964), Het gastmaal (1966) en Het avondmaal (1968). Walschap is zeker niet alleen bekend geworden als romancier. Hij schrijft een groot aantal radio-en televisiespelen, boeken voor kinderen en diepgaande en felle essays en kritieken, waarin hij zich andermaal richt tegen de invloed van religie, zich een voorstander betoont van grote geestelijke vrijheid en tal van ontwikkelingen in de Westerse consumptiemaatschappij analyseert. Walschap krijgt drie keer de staatsprijs voor romans (Trouwen, Zuster Vergilia, Oproer in Congo). In 1968 wordt hij onderscheiden met de Prijs der Nederlandse letteren. In mei 1975 wordt hij door koning Boudewijn in de adelstand verheven en krijgt hij de titel baron.

Reputatie

Het werk van Gerard Walschap wordt, mede door zijn moderne toon en aanpak, nog altijd veelgelezen. Na zijn dood bezorgen wetenschappers, samen met zijn kinderen een aantal delen correspondentie. Het Gerard Walschap-genootschap wordt in 1998 opgericht en is zeer actief. Jonge Vlaamse romanciers tonen zich in hun werk maar ook in interviews schatplichtig aan hun voorbeeld, die een hoge leeftijd bereikt en tot aan zijn dood maatschappelijk actief blijft. Walschap ligt begraven op het voor kunstenaars bestemde Erepark van begraafplaats Schoonselhof bij Antwerpen.

 

De meeste brieven en handschriften van Gerard Walschap bevinden zich uiteraard in de collectie van de Vlaamse zusterinstelling van het Literatuurmuseum, het AMVC-Letterenhuis in Antwerpen. In de collectie van het Literatuurmuseum bevinden zich wel brieven van Walschap aan onder anderen Godfried Bomans, Mieke Vestdijk-van der Hoeven, uitgever Reinold Kuipers en wetenschapper A.L. Sötemann.

Zie voor een overzicht van alle documenten van Gerard Walschap in het Literatuurmuseum de catalogus. 

 

Links

www.dbnl.org