← Terug naar Biografieën

Willem Elsschot

Willem Elsschot (pseudoniem van Alfons de Ridder) is één van de bekendste en belangrijkste Vlaamse auteurs uit de twintigste eeuw. Zijn romans zijn cynisch van toon en afgemeten van stijl en zijn niet omvangrijk. Het Verzameld werk van Elsschot, die een groot deel van zijn leven de leiding heeft gehad over zijn eigen reclamebureau, telt niet meer dan ruim zevenhonderd pagina’s. Zijn werk wordt nog altijd veel gelezen, een aantal romans is verfilmd en het Willem Elsschot Genootschap is zeer actief. In 2011, een jaar na het Elsschot-jaar (vijftigste sterfdag) verschijnt de lang verwachte biografie van Vic van de Reijt.

 

Jeugdjaren

Alfons Jozef de Ridder is de achtste van tien kinderen van bakker Christiaan de Ridder en Adela van Elst. Hij wordt geboren in Antwerpen. Zijn pseudoniem ontleent hij later aan een in de omgeving gelegen bos, dat Helsschot heet. Hij wordt van het Koninklijk Athenaeum gestuurd en is even werkzaam als loopjongen voor Antwerpse firma’s. In 1903 behaalt hij een diploma aan het Antwerpse Hogere Handelsinstituut. In Parijs werkt hij als klerk van een rijke Argentijnse zakenman. Zijn ervaringen over een aantal huurders in een Parijs huis verwerkt hij in zijn debuutroman Villa des roses (1914). In 1908 krijgt hij een baan bij de Gustowerf in Schiedam. Na zijn terugkeer in België wordt hij zakenman en is hij enige tijd correspondent voor de Nieuwe Rotterdamsche Courant In 1931 richt hij een eigen reclamebureau op, dat tot zijn dood in 1960 blijft bestaan.

 

Tijdschriften

De Ridder debuteert in het tijdschrift Alvoorder, het blad van een anarchistische Antwerpse kunstenaarsclub. Over zijn bohemienjaren publiceert hij in 1921 de novelle Een ontgoocheling. In 1912 richt hij met zijn jeugdvrienden Jules Valenpint en Rene Leclercq de Revue Continentale Illustrée op. Dit blad komt op een hilarische manier voor als het Algemeen Wereldtijdschrift  in Elsschots roman Lijmen.

 

Werk

Na Villa des roses en Een ontgoocheling verschijnt in 1921 De verlossing. In de romans die daarna verschijnen is de ik-figuur vaak een alter-ego van Elsschot (Boorman en Laarmans) die de lotgevallen van de hoofdpersonages cynisch beschrijft. Elsschot verwacht veel van zijn roman Lijmen (1924) waarin de auteur de verkoopmethodes en reclametechnieken onder de loep neemt. List en bedrog worden op een humoristische manier beschreven. Het succes blijft echter uit en Elsschot zwijgt, totdat in de vroege jaren dertig de Forum-redacteuren Du Perron en Ter Braak zijn sobere stijl prijzen en hem aansporen tot nieuw werk. Zijn Verzen van vroeger verschijnen en de roman Kaas, waarin alter-ego Laarmans zich met rampzalige gevolgen op de kaashandel richt. Tot 1946 als Elsschots laatste roman Het dwaallicht uitkomt, publiceert hij een aantal novellen en korte romans, die opvallen door hun uitgebeende stijl. Zijn onderwerpen ontleend hij aan zijn eigen zakenleven en herinneringen aan en gebeurtenissen met familieleden. Elsschot is regelmatig erg onzeker over zijn werk, hij is een notoir schrapper, een voorstander van helder en bondig taalgebruik. Tijdens zijn leven krijgt hij de Vlaamse Staatsprijs voor verhalend proza en de Constantijn Huygensprijs (1952). De Staatsprijs voor literatuur wordt postuum aan hem toegekend.

 

Huwelijk

Willem Elsschot is de auteur van het beroemde, volgens hem zelf allerminst autobiografische gedicht ‘Het huwelijk’ waarin een man met afgrijzen naar zijn oudere wordende echtgenote kijkt. Elsschot is zelf getrouwd met een hulpje uit zijn ouderlijk huis aan de Antwerpse Keyserlei: Jeanetta Jospehine Scheurwegen, die als hulp Jos wordt genoemd, maar eigenlijk Fine heet. Elsschot verwekt bij haar een zoon, Walter, die pas zeven jaar later in 1908 wordt ge-echt. Het echtpaar Elsschot krijgt zes kinderen, van wie de laatste, dochter Ida, aan het eind van haar leven de herinneringen aan haar moeder boekstaaft. Het huwelijk van haar ouders kent diverse fases. Meestal is Elsschot de nurksige, vaak afwezige vader, van wie men amper weet dat hij naast zijn zaken schrijft en die zijn privé-escapades, onder anderen met de dichteres Liane Bruylants verborgen houdt. In de laatste periode van hun leven, als Elsschot al aan een ongeneeslijke vorm van huidkanker lijdt, zijn de echtelieden zeer verknocht aan elkaar. Binnen een etmaal na de dood van haar man, overlijdt ook Fine. Ze worden begraven op de begraafplaats Schoonselhof bij Antwerpen, waar veel kunstenaars hun laatste rustplaats hebben gevonden.

Reputatie

Het werk van Willem Elsschot wordt zowel bejubeld als verguisd. De bewonderaars loven zijn onopgesmukte stijl, zijn gevoel voor humor, de cynische ondertoon, de melancholie waarvan het werk is doortrokken. Zijn werk wordt vaak vergeleken met dat van Nescio. Anderen hekelen zijn karige taalgebruik en minimalisme. Hugo Claus, zelf een barok woordkunstenaar, had niet veel op met het werk van Elsschot. Hij kwalificeert het als ‘Hollands en zuinig’. Niettemin is er al jaren sprake van een grote belangstelling voor het leven en werk van de Antwerpse schrijver. Van alle romans verschijnen nog steeds nieuwe interpretaties, er is een brievenuitgave en naast een aantal biografische schetsen verschijnt weldra de langverwachte biografie door Vic van de Reijt, die geheel in stijl van de geportretteerde, de tekst beperkt heeft weten te houden.

 

De meeste brieven en handschriften van Willem Elsschot bevinden zich uiteraard in de collectie van de Vlaamse zusterinstelling van het Literatuurmuseum, het AMVC-Letterenhuis in Antwerpen. In de collectie van het Literatuurmuseum bevinden zich wel brieven van Elsschot aan onder anderen L.J. Bakker, Jan Greshoff, Uitgeverij C.A.J. van Dishoeck en Menno ter Braak. De collectie bevat tevens diverse handschriften en typoscripten van Elsschots werk, een aantal foto’s en een gipsen dodenmasker.

Zie voor een overzicht van alle documenten van Willem Elsschot in het Literatuurmuseum de catalogus.

 

Links

www.dbnl.org

www.kb.nl