A. Aletrino

(1858-1916)
Vanuit zijn tot zwaarmoedigheid neigende natuur, zijn pessimistische levensbeschouwing en zijn obsessie voor de dood treedt A. (Arnold) Aletrino in het voetspoor van het Franse naturalisme. Hij beschrijft bij voorkeur het zich voortslepende, uitzichtloze bestaan van mensen, vooral van vrouwen die aan het leven lijden.
Vervaardigd circa 1885
Techniek Olieverf op paneel
Afmetingen 50 x 40 cm

A. Aletrino

door Jan Veth (1864-1925)

‘Nu zit ik elke dag voor ’m te pozeeren, en zie meer en meer hoe het beetje kleur op m’n gezicht ontleed wordt tot in de kleinste bizonderheden,’ schrijft A. Aletrino als hij poseert voor Jan Veth. De twee kennen elkaar uit de kringen rondom de beweging van Tachtig. Aletrino verbaast zich dat Veth ‘zoo den geheelen dag op m’n bakkes kan turen zonder onwel te worden.’

Veth heeft echter wel moeite met het portret. Na een dag hard werken en ploeteren, meent hij een heel stuk opgeschoten te zijn, maar als hij het na een paar uur weer bekijkt, merkt hij op ‘hoe bitter ordinair’ het nog is.

Maar dat valt wel mee, het is een innemend, betekenisdicht portret geworden. Het geraamte links op het schilderij is een verwijzing naar de medicijnenstudie die Aletrino op dat moment nog volgt. Rechts hangt een portret van de Franse schrijver Émile Zola, wiens werk Aletrino tot zijn trots als een der eersten in Nederland leest. Alle details zijn tot in de kleinste bijzonderheden uitgewerkt – Veth keek met een vergrootglas naar Aletrino en zijn omgeving. Voor hem was schoonheid ondergeschikt gesteld aan natuurgetrouwheid.

Wat daarbij vooral opvalt dat Veth ook oog had voor Aletrino’s liefde voor de kat. De twee waren onafscheidelijk; zo schreef Frederik van Eeden over Aletrino: ‘Hij had een eigen taal waarin hij die dieren toesprak, een jargon dat alleen hij en zijn poes verstonden.’