A. Roland Holst

(1888-1976)

De zee, de meeuwen, het kristal… de poëzie van Adriaan Roland Holst voert de lezer mee naar een wereld vol rijke symboliek. De dichter stond bekend om zijn vriendschappen met andere literatoren, zijn verknochtheid aan zijn woonplaats Bergen en zijn liefde voor wat men in die tijd ‘vrouwelijk schoon’ noemde. Al op jonge leeftijd beweerde ‘Jany’ slechts voor één ding te zijn geboren: het schrijven van gedichten.

Vervaardigd 1948
Techniek Olieverf op doek
Afmetingen 53 x 43 cm

A. Roland Holst

door Carel Willink (1900-1983)

‘Carel, je hebt die pullover van mij niet geschilderd, die hei-je gebreeën! En, ik lijk precies, maar waarom heb je mij nou je maagkwaal meegegeven?’ Dit schijnt A. Roland Holsts reactie te zijn geweest op dit portret dat Carel Willink van hem maakte.

Het is 1948 en ter gelegenheid van Roland Holsts zestigste verjaardag geeft het ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen de bekende schilder A.C. Willink de opdracht voor de som van 2.500 gulden de dichter te portretteren.

Een passende keus, want voor Roland Holst was het werk van de magisch realist het ijkpunt van de  beeldende kunst. Bovendien waren de twee goed bevriend, geestverwanten zelfs, aldus Jan van der Vegt in een artikel over dit portret. Volgens hem sluit het dreigende en onheilspellende in het werk van Willink wonderwel aan bij de noodlotsprofetieën in de dichtbundel Tegen de wereld uit 1947. 

Voor het gemak logeert Roland Holst in juli 1948 enkele dagen bij Willink. Op verzoek van de schilder laat hij als hij weer naar Bergen terugkeert zijn pullover achter. Deze wordt op een paspop gehangen die vervolgens als model dient. Willink voltooit het schilderij waarschijnlijk eind augustus. Het toont een serieuze, zelfs treurige Roland Holst. Is het een verwijzing naar zijn gedichten of wordt de dichter wellicht gekweld door een creatieve impasse, een opkomende depressie? Of speelt, wat pragmatischer, de spit die hem wat later voor enige tijd velt, hem al parten?

Het is niet zeker wat Roland Holst nu precies van het portret vindt. Wel is zeker dat Willink nogal wat kritiek te voorduren krijgt, met name over de pietluttig precieze pullover. Zo schijnt de schilder Henri F. ten Holt gezegd te hebben: ‘breien doen ouwe wijven, schilders niet.’

Vervaardigd ongedateerd
Techniek Gemengde techniek op karton
Afmetingen 62,5 x 51 cm

A. Roland Holst

door Matthieu Wiegman (1886-1971)

Aan het begin van de vorige eeuw strijken verschillende schilders neer in het idyllische Bergen. Ze vinden er de natuur, het zeelicht en elkaar. Ze gaan de geschiedenis in als de Bergense School, te beschouwen als de overgang van het late impressionisme naar het expressionisme. Een van de belangrijkste figuren binnen de stroming is Matthieu Wiegman, maker van dit portret.

Ook veel dichters en schrijvers vestigen zich deze periode in het kunstenaarsdorp, onder wie Herman Gorter en Henriette Roland Holst, en haar neef A. Roland Holst. Hij vindt hier de rust om te kunnen schrijven. Schrijven houdt hem in ‘bedwelming’ tijdens creatieve periodes van weken of zelfs maanden lange concentratie. Die bezetenheid is volgens hem onontbeerlijk: ‘Een kunstenaar die niet op een of andere wijze een bezetene is, kan beter bijtijds nog winkelier of bankier worden.’ De dichter zal in het dorp een legende worden.

Wiegman en Roland Holsten kennen elkaar, zijn lid van KunstenaarsCentrumBergen en drinken samen in stamcafé Oldenburg, waar een vers van de dichter hangt:

Waar Worm de muren fleurig maakte,
waar Bloem zijn dorst op rijm beleed
waar Wiegman ‘’t Daaglijksch Brood’ verzaakte
wijl ook hij liever drinkt dan eet,

waar Germ de Jong in teedre kleuren
van zijn onleschbaar leven spreekt,
daar mag het zeker niet gebeuren
dat mijn gerijmde woord ontbreekt.

Naast dit ongedateerde portret maakt Wiegman ook in 1934 een olieverfportret van zijn drinkebroer, door Elseviers Geïllustreerd Maandschrift bestempeld als meesterlijk en subliem. ‘Dit is, meen ik, het volledigste en schoonste portret, dat hij ooit maakte. Breed van voordracht, eenvoudig en van een heerlijke rust, zeer gaaf en diep-sonoor van kleur, gaat er van dit portret, dat in waarheid het portret van een dichter is, een stroomende, meesleepende bezieling uit’.

Vervaardigd 1959
Techniek Olieverf op doek
Afmetingen 131 x 100 cm

A. Roland Holst

door Cor Dik (1906-1975)

Onder de invloed van zijn tante Henriette Roland Holst, getrouwd met de schilder R.N. Roland Holst, begint A. Roland Holst te dichten en in 1908 verschijnen de eerste gedichten van zijn hand in het tijdschrift De XXe Eeuw. Aanvankelijke is hij net als zijn tante sterk gericht op de sociaal-idealistische beweging, later pas wordt hij de conservatieve dichter die niet zo veel op had met zaken als de parlementaire democratie.

Roland Holst is een dichter die enkel bestaat voor de literatuur. De waardering voor zijn werk is groot en hij draagt de eretitel ‘De prins der dichters’. Vooral voor de oorlog lijkt zijn status haast onaantastbaar. Hoewel hij leeft tot diep in de twintigste eeuw is hij eigenlijk een dichter die bij de negentiende eeuw hoort. Zijn poëzie staat in het teken van het verlangen naar een onbereikbaar Elysium, een thematiek – in combinatie met een plechtstatige stijl – die hem tegenwoordig voor velen tot een ontoegankelijk en ouderwets maakt.

De status van Roland Holst blijkt wel uit de vele portretten die er van hem zijn gemaakt, onder andere dit portret door de beeldend kunstenaar Cor Dik. ‘Zijn schilderen zijn gedichten in kleur, waar het woord stemmingskunst het best bij past,’ schreef recensent W.P. Groot ooit. ‘De wereld die Dik oproept is een melancholieke wereld die doorstraalt wordt van innerlijk licht. Zijn doeken doen denken aan een verstilde, geluidloze, in zichzelf verzonken decemberdag. Het zijn dagdromen van zeldzame broosheid’. Dik, die autodidact was, werd soms een realist genoemd, dan weer een expressionist en dan zag men een impressionist in hem. Zelf hechtte hij weinig waarde aan al deze etiketten, het ging hem om het ‘wezen’.

Vervaardigd circa 190
Techniek Olieverf op doek
Afmetingen 116 x 73 cm

A. Roland Holst

door Ernst Leyden (1892-1969)

Hoewel hij inmiddels vrijwel vergeten is, was Ernst Leyden bij leven zeer bekend. Tijdens zijn vele omzwervingen liet hij een spoor van kunstwerken achter. Zijn werk is onder meer te vinden in Musée d’Art Moderne in Parijs, de Tate Gallery in Londen en het Guggenheim Museum in New York. Bevriend was hij niet alleen met Jan Sluitens, Piet Mondriaan en Gerrit Rietveld, maar ook met onder meer Salvador Dalí, Igor Stravinsky, Man Ray, Henry Miller en Charlie Chaplin.

Ook hij kende de kring rond A. Roland Holst, blijkens een brief uit 1932 van E. du Perron aan de dichter over strubbelingen in het huwelijk van J. Slauerhoff en diens vrouw, danseres Darja Collin: ‘En wat Ernst Leyden betreft (…), het is allerliefst van hem dat hij zich zooveel moeite geeft, maar het daarbijbehoorende verhaal van “jong Russisch danser door slechte behandeling van Hollandsch dichter bijna ten doode gedoemd” is mij wat Barnum-achtig’.

Rond 1930 maakte Leyden dit portret van Roland Holst, dandy-achtig poserend met een wandelstok. Al sinds zijn jonge jaren liep hij met een stok te zwieren. Zelden wisselde hij van stok, veel vaker van vriendin. Er is een anekdote dat de stok zelfs zo onafscheidelijk was, dat toen de dichter eens een van zijn vriendinnen naar de slaapkamer droeg, zij hem vroeg: ‘Jany, je hebt je wandelstok toch wel bij je?’ Die daar uiterst gevat op reageerde….

Roland Holst had een enorme reputatie als rokkenjager. Nog op hoge leeftijd sloeg hij dames op hun achterste, daarbij opmerkend: ‘Ik sla graag een goed figuur’. Berucht zijn ook zijn ‘middagtukjes’ waarvoor hij vele meisjes zou hebben verleid. Grootspraak of niet: een dichter in deze eeuw zou er niet meer mee wegkomen…

Vervaardigd circa 1959
Techniek Olieverf op doek
Afmetingen 46 x 38 cm

A. Roland Holst

door Jeanne Bieruma Oosting (1898-1994)

Er bestaan vele portretten van A. Roland Holst. Hij werd gefotografeerd door o.a. Emiel van Moerkerken, ‘gebeeldhouwd’ door Charlotte van Pallandt en geschilderd door o.a. Carel Willink, Charley Toorop, Paul Citroen en ook Jeanne Bieruma Oosting.

Bieruma Oosting was van Friese adel en dat ze voor het kunstenaarschap koos was tegen de zin van haar familie. Ze studeerde en woonde een tijd in Parijs, had zelfs nog met Picasso op een grafisch atelier gewerkt, en maakte naam voor zichzelf als schilder en grafica. Roland Holst kende haar al van voor de Tweede Wereldoorlog – bij toeval in de trein, zoals Jan van der Vegt meldt in zijn Roland Holst-biografie – maar hun vriendschap komt pas in de jaren vijftig tot bloei. Zij wilde graag meer dan alleen vriendschap, hij kon echter geen ‘erotische gevoelens’ voor haar opbrengen. Ondanks hun onenigheden en conflicten, – haar jaloerse reacties op zijn relaties – bleven ze bevriend. Ook was er wederzijds respect voor elkaars kunstenaarschap.

Zij maakte vier etsen voor de speciale uitgave van zijn Winter aan zee, die in 1963 ter gelegenheid van zijn 75e verjaardag zou verschijnen. Hij droeg aan haar zijn gedicht ‘Slotsom’ op:

Wat heeft het leven in ons aangesticht?
een gouden bitterheid, een opgericht
en helder werken met de dood voor ogen.
Zo oogst wie oud wordt uit jeugd's vuur het licht.

Vaak verblijft Roland Holst bij haar in haar landhuis Het Elger op het Gelderse platteland. Zo ook in september 1959. Daar werkt ze aan dit portret van hem als hij wordt overvallen door een van zijn depressies, zo is te lezen bij Van der Vegt. Zij kan daar weinig begrip voor opbrengen en hij keert terug naar huis. Maar nog steeds houdt hun vriendschap stand.

 

Vervaardigd 1958
Techniek Olieverf op doek
Afmetingen 93 x 73,5 cm

A. Roland Holst

door F.W. van der Spek (leefjaren onbekend)

Zeventig is hij hier, de prins der dichters, troubadour van het verlangen. Hij lijkt peinzend terug te kijken op zijn leven waarin hij generaties schrijvers, schilders en andere beroemdheden aan zich voorbij zag trekken. Hij kwam over de vloer bij Tachtigers Frederik van Eeden en Lodewijk van Deyssel, ontving op zijn beurt Vijftiger Lucebert bij hem thuis in Bergen, in het huis aan de Nesdijk waar hij meer dan veertig jaar zou wonen.

Hij zat aan het sterfbed van J. Slauerhoff, dronk thee bij prinses Beatrix en prins Claus, poseerde voor grootheden als Carel Willink en Charley Toorop. Met de laatste had hij enige tijd een liefdesverhouding, net als met de actrice Asta Lee. Vele vrouwen had hij bemind, trouwen zou hij nooit. Tot zijn dood bleef hij zijn enige muze, het dichterschap, trouw.

Hij is vaak onderscheiden: zo kreeg hij de Verzetsprijs voor letterkundigen, werd hij in 1946 benoemd tot ridder in de Orde van Oranje-Nassau, ontving hij in 1948 de Constantijn Huygens-prijs en in 1956 de P.C. Hooft-prijs. De Prijs der Nederlandse Letteren zou hem in 1959 toegekend worden. 

Enkele maanden voor zijn dood verschijnt nog de zeer geprezen bundel Voorlopig. De dichter leeft voort als naamgever van de A. Roland Holst Penning voor Kunst en Poëzie en sinds 1994 wordt de uitreiking van deze prijzen begeleid door de A. Roland Holstlezing. Sinds 2001 wordt zijn huis in Bergen gebruikt als tijdelijke woning voor schrijvers en vertalers.