C. Buddingh’

(1918-1985)

‘Ik ben de blauwbilgorgel / Mijn vader was een porgel, / Mijn moeder was een porulan, / Daar komen vreemde kind’ren van. / Raban! Raban! Raban!’ Dit olijke gedicht is de claim to fame van Cornelis (Kees) Buddingh’, die toen hij dit schreef nog maar aan het begin stond van een lange carrière als dichter, verhalenverteller en recensent.

Vervaardigd circa 1970
Techniek Olieverf op paneel
Afmetingen 75 x 64 cm

C. Buddingh’

door Toon Winkler (1923-1989)

C. Buddingh’s gorgelrijmen, waaronder het bekende ‘De Blauwbilgorgel’ verschenen voor het eerst in het surrealistische tijdschrift De Schone Zakdoek, dat in de jaren 1941-1944 werd ‘uitgegeven’ in een oplage van één exemplaar. Hij trok op met diverse Vijftigers en sloot zich in de jaren zestig aan bij de schrijversgroepen rond de tijdschriften Barbarber en Gard Sivik. Hij was bovendien een zeer geliefd performer.

In de jaren zeventig werkte Buddingh’ veel als vertaler en literator en stelde bloemlezingen en aforismen- & citatenbundels samen. Ook maakte hij zijn Lexicon der poëzie, een boek met termen en begrippen uit de dichtkunst. Hij lichtte ze toe met recente Nederlandstalige fragmenten, ‘springlevende materie’ om te kunnen laten zien dat ‘ook in de meest ‘‘avantgardistische’’ gedichten met stijlmiddelen wordt gewerkt die al zo’n tweeduizend jaar oud zijn’. Zijn toon speels en toegankelijk als altijd. En hij timmerde kijkkastjes die hij beplakte met surrealistische voorstellingen; ze waren in 2015 in het Dordrechts Museum te zien.

In 1976 verscheen Het houdt op met zachtjes regenen, een bundel die bekroond werd met de Jan Campert-prijs. Buddingh’ relativeerde onmiddellijk: ‘Natuurlijk kan een gedicht over een vriend die na 13 jaar sanatoriumtijd gestorven is, gemakkelijk meer diepgang krijgen dan een gedicht over een potje jam, maar je moet er toch niet van uitgaan dat het mooier wordt als je maar over de dood schrijft. Da’s typisch Nederlands. Als ’t maar over de dood gaat, is ’t mooi.’

Buddingh’ had een sterke binding met zijn geboortestad Dordrecht, onder andere verwoord in het gedicht ‘Ode aan Dordrecht’. Ook de maker van dit portret, beeldend kunstenaar Toon Winkel woonde er. Ze zullen elkaar ongetwijfeld gekend hebben; beiden waren lid van Tekengenootschap Pictura, de oudste nog bestaande kunstenaarsvereniging van Nederland.