Louis Tiessen

(1921-2017)

‘Ik stel mij aan u voor: met helm en droomkracht ben ik op 8 mei 1921 geboren,’ schrijft Louis Tiessen in 2005. Tiessen publiceerde in zijn jeugd al enkele gedichten in De Eemsbode en debuteerde in 1948 met de dichtbundel Afstand. Op latere leeftijd richtte hij zich vooral op haiku’s. Naast zijn literaire aspiraties had hij een duidelijke broodwinning: hij was zakenman, modeontwerper en werd een tijd gezien als ‘weerman’ van modetrends.

Vervaardigd 1944
Techniek Olieverf op doek
Afmetingen 83 x 62,5 cm

Louis Tiessen

door Gerard Schäperkötter (1914-2006)

Louis Tiessen is 20 als hij in 1940 in zijn woonplaats Amersfoort een ‘schrijversbent’ opricht, ‘geïnspireerd door een verslag van samenspel en vriendschap tussen Vlaamse kunstenaars, schrijvers, dichters en schilders’. Met Albert Welling plaatste hij een oproep in De Amersfoortsche Courant ‘met als gevolg dat in huize Tiessen enkele weken later zich zeven literaire kuikens aan elkaar voorstelden in een authentieke art nouveau salon’, vertelt Tiessen in 2005 in het literairhistorische tijdschrift Zacht Lawijd. ‘Moge daar veel edels worden geboren; de wereld haakt naar schoonheid in een tijd die een overmaat van ellende geeft’, zo schreef de Eemsbode. Van de ‘kuikens’ was Sonja Witstein volgens Tiessen ‘literair het meest begaafd’. Zelf publiceerde Tiessen in 1943 in eigen beheer clandestien onder het pseudoniem Lodewijk van Fokkerbosch.  

Dat jaar sloeg hij zijn vleugels uit en kwam hij in contact met schrijvers, dichters en schilders rond het Amsterdamse café Eylders, dat hij wekelijks bezocht vanuit Amersfoort. Hij raakte bevriend met Corneille, die enkele van Tiessens gedichten in het Frans vertaalde en die hem introduceerde bij de kunstenaars van de ‘Experimentele Groep’.

Wellicht leerde Tiessen in Eylders ook Gerard Schäperkötter kennen, die dit vroege portret van hem maakte. Schäperkötter was oorspronkelijk grafisch ontwerper en als schilder autodidact. In 1951 zou hij zijn eerste eenmanstentoonstelling hebben in Amsterdam en daarna groeide ook zijn internationale reputatie. In 1977 schrijft kunsthistorica José Boyens: ‘Het werk van Gerard Schäperkötter ontleent zijn betekenis aan de kleur; kleurpartijen die meteen de kompositie bepalen gaan met elkaar een krachtig gefluister aan en bereiken overeenstemming. Oranje en groene vormen zijn het dan tot in de kleinste onderdelen met elkaar eens geworden. Of ernstige blauwe en luchthartiger groene partijen komen met een principiële verklaring. Het aantal kleuren (en vormen) is steeds beperkt.’ Het was genoeg voor een portret.