1924

Erich Wichman en het fascisme

Blijven lezen

1925

In het in 1925 door katholieke jongeren opgerichte tijdschrift De Gemeenschap verscheen in 1928 (nummer 8/9) een gesprek van Albert Kuyle met Marsman over het fascisme. Kuyle (1904-1958), die in de jaren dertig niet alleen dweepte met de Mussolini-staat, maar ook fel antisemitisch was, vroeg hem of Marsman een ‘bewonderaar van het fascisme’ was:

Het fascisme, in zooverre het nationalisme is, is een na-renaissancistische gedachte, en  als ongeveer alle na-renaissancistische gedachten fout. De middeleeuwse conceptie daarentegen is universalistisch, dat is anti-nationalistisch. De mentaliteit die veronderstelt de hiërarchie van de macht, de plicht van den sterkste, vind ik onontbeerlijk. Mussolini vind ik niet groot, heelemaal niet groot, misschien het tegendeel van groot, maar sterk. (...) Ik geloof dat het fascisme of vormen daarvan in Holland en Duitsland een kans maken omdat de sociaaldemocratie door zijn kwantitatieve overheersching, zijn kwalitatief echec alleen al bewezen heeft.

Albert Kuyle

In datzelfde gesprek met Kuyle deed Marsman een uitspraak die hem lange tijd werd nagedragen: ‘Maar een goeie roman van iemand beneden de veertig bestaat nog niet. Ik zal die schrijven, als ik niet voor 1931 in een fascistisch front gesneuveld ben.’ Zijn vriend Erich Wichman reageerde in een open brief op 28 september 1928 en nodigde Marsman om redacteur te worden van het fascistische blad De Bezem en daden bij woorden te voegen: ‘Er is werk voor je, niets minder dan een Augiusstal om uit te mesten. Of is dat niet netjes genoeg voor de beste onzer jongere dichters? Op net fascisme zul je vergeefs wachten. Dat is (afdoende) voorbij! En hoe wou je anders sneuvelen? (...) Want dan zul je een levend deel van het levende volk zijn, dat om zijn vrijheid in den waren zin strijdt.’

Erich Wichman

Erich Wichman (1890-1929) en Marsman waren een decennium bevriend. Wichman kwam uit een Duits gezin van wetenschappers en was een kind dat niet wilde deugen. Hij was zeker intelligent en begaafd, maar ook lastig en brutaal en werd van diverse scholen gestuurd. In Utrecht studeerde hij korte tijd scheikunde, voordat hij zich op kunstgeschiedenis toelegde. Als ‘cum laude gesjeesde student’ hield hij ook die studie niet lang vol. Wichman verhuisde naar Amsterdam, schreef gedichten en polemieken, maar werd al gauw beeldend kunstenaar. Hij maakte schilderijen op linnen en op muren, maskers van papier en plastieken van brons en klei. In het begin gebruikte hij de vlammende kleuren van het expressionisme, later werd zijn kunst gedempter en werkte hij naar Afrikaanse en mythische voorbeelden.

De vriendschap begon met een bespreking van Marsman over een uitgave met beeldend werk van Wichman. Marsman was er verrukt over en schreef in Den Gulden Winckel: ‘de kunstenaar is de volmaakte deugniet en de volmaakte dwaas.’ Het energieke, het grote gebaar, de afkeer van alles wat burgerlijk was, sprak Wichman aan in de gedichten die Marsman hem stuurde. Ze noemden elkaar ‘strijdmakkers’, niet alleen in de kunsten, maar ook als het om de politiek ging. Beiden waren fel gekeerd tegen het algemeen kiesrecht. In belezenheid waren ze elkaars gelijke, als het om politieke opvattingen ging was Wichman veel uitgesprokener en hield Marsman zich wijselijk wat meer op de vlakte. ‘De Staat is ziek! Zachte dokters maken stinkende wonden.’ Dat adagium hanteerde Wichman met graagte. Hij sympathiseerde met de Amsterdamse Rapaillepartij, geleid door de drankzuchtige Cornelis de Gelder (bijnaam: had-je-me-maar), die zelfs met twee zetels in de Gemeenteraad kwam.

Deze ondermijning van het actief en passief kiesrecht in 1921 wordt algemeen gezien als het begin van het Nederlands fascisme, met de Leidse hoogleraar Gerard Bolland als ‘oervader’. Voor Wichman was de lol er gauw af; ongedurig als hij was, richtte hij zijn vizier weer op zijn kunstzinnige activiteiten. Inmiddels hadden Marsman en Wichman elkaar in de zomer van 1920 voor het eerst ontmoet in Wichmans huis aan de Prinsengracht. Hij leefde daar met zijn gezin onder armelijke omstandigheden, af en toe financieel bijgestaan door familieleden. Bij zijn tweede bezoek in de herfst bracht Marsman een kinderledikantje als geschenk mee. Door de jaren heen bleef Wichman zijn vriend bestoken met verzoeken geld te sturen of anderszins hulp te bieden door werk op te nemen in tijdschriften, of het positief te critiseren. Alhoewel Marsman zelf niet goed bij kas zat, gaf hij regelmatig geld en vroeg andere vrienden dat ook te doen, zoals Arthur Lehning.

Schilderij ‘De mensch en de menschen’ door Erich Wichman

Na het echec met de Rapaillepartij liet Wichman zijn gezin (hij leefde inmiddels met vrouw, vriendin en vier kinderen) achter in Amsterdam en probeerde als kunstenaar in het buitenland te leven of anderszins werk te vinden. In Berlijn ontmoette hij Marsman weer en maakte voor hem het frontispice van Verzen, de bundel die als het ‘Rode boekje’ de literatuurgeschiedenis in zou gaan. Als tegenprestatie verlangde hij van Marsman dat hij z’n lithomappen aan de (bevriende) man zou brengen en gunstig over hem zou schrijven. Daarna reisde Wichman door naar Italië waar hij in Milaan enige tijd werkte bij de Nederlandse Kamer voor Koophandel en het vaderlandse consulaat beheerde.

Hij raakte daar nog sterker geïnvolveerd in het fascisme, bemachtigde zelfs een fascistenknuppel die hij later terug in Nederland graag bij zich had. Met Marinetti had hij kortstondig contact, met de opkomende Duce Mussolini niet, al volgde hij diens steeds sterker wordende positie op de voet. De lithomap Idealisten II droeg hij zelfs aan de fascistenleider op: ‘Omdat ik altijd, geheel en uitsluitend, dat gedaan heb, wat mij juist lijkt, in mijn land, dat mij daarvoor ‘bestraft’ heeft met hongerlijden afgrijselijk, heb ik ook hier en nu het recht, dàt te doen, wat mij juist lijkt, het recht dit werk op te dragen aan U: Benito Mussolini.’

Wichman radicaliseerde snel, hij kwam terecht in het vaarwater van militaristische fascisten als Roberto Farinacci, die nog fanatieker waren dan hun voorgangers, wellicht omdat de positie van Mussolini even had gewankeld na de moord op socialistenleider Giacomo Matteotti. Uiteindelijk profiteerde de Duce van die situatie: in 1925 schafte hij het parlement af, de pers werd gemuilkorfd en Italië was met Mussolini en zijn Partito Nazionale Fascista een totalitaire staat geworden. Wichman hield Marsman steeds op de hoogte van de laatste ontwikkelingen en vroeg hem om financiële steun bij het opzetten van het tijdschrift De Vreemdeling: ‘O wat ben ik gesjochten, duiten moet ik hebben.’

Het stond Wichman helder voor ogen wat voor een periodiek het moest worden: ‘Ik zeg je, en herzeg je, dat mijn blad (als het er komt) niet alleen fascistisch, maar bepaald extremistisch-fascistisch, zéér fascistisch wordt. Bevalt je dat niet, dan moet je in godsnaam niet meewerken’ (brief aan zijn kornuit Anton Bakels). Op 16 juli 1924 vroeg Wichman aan Marsman zijn tekst die hij in facsimile had vervaardigd door Hollandia Drukkerij te laten vermenigvuldigen, maar de drukker vond de tekst ‘te riskant’ en vriend Marsman kon verder weinig voor hem doen. In het najaar van 1924 keerde Wichman terug naar Nederland. Het contact met Marsman werd verdiept, Wichman vroeg hem meermalen om mee te werken aan zijn schotschriften en pamfletten. Marsman sympathiseerde overwegend zeker met zijn meningen, maar hield zich gedeisd en richtte zich in die tijd vooral op zijn kritieken en essays, waarmee hij de publieke aandacht afleidde. Wat Marsman beslist aansprak, was wat Wichman na terugkomst in Amsterdam ventileerde:

Wat ik wil overbrengen is alleen: een sfeer, een toonaard, een gevoelstempo, een mentaliteit, een levenshouding: het stukbreken van zinloos en levenloos geworden vastheden, het vlottend en vlot maken, het opnieuw beginnen, de Jeugd!

Nog één keer ging Wichman naar het buitenland, dit keer naar Frankrijk. Architect J.F. Staal betrok Wichman bij het ontwikkelen van het Nederlands Paviljoen van de Exposition Internationale des Arts Décoratifs et Industriels Modernes. Wichman kreeg tot zijn groot genoegen eer van zijn werk. Hij ontving een bronzen medaille voor zijn glas-in-loodramen en plastieken. Zijn gezondheid ging intussen sterk achteruit. Gerard Bruning typeerde hem als ‘de puinhoop’ van een bastion. De krachten in zijn laatste jaren besteedde hij aan het fascistenweekblad De Bezem, dat was opgericht door de radicaal rechtse Hugo Sinclair de Rochemont en werd bekostigd door de rijke Alfred Haighton, die meer fascistische ondernemingen steunde.

Wichman werd al snel abonnee en schreef in 1928 maar liefst meer dan vijftig bijdragen aan dit orgaan. Aan het eind van dat jaar liep hij bij een politieke ondersteuningsactie een longontsteking op, waaraan hij op nieuwjaarsdag 1929 overleed. Drie dagen later werd hij op Zorgvlied in Amsterdam begraven in aanwezigheid van politieke sympathisanten, maar ook van tientallen kunstenaars. Het laatste contact met Henny Marsman was een kleine maand voor zijn dood. Wichman nodigde zijn vriend uit voor een ‘echte mannelijke expeditie’ met ‘beenkappen, boksbeugels en pistolen’ vanaf de Schreierstoren in Amsterdam op 4 december. Die tocht vond niet plaats. Marsman herdacht Erich Wichman met een verklaring in De Vrije Bladen, waarvan hij opnieuw redacteur was geworden en met vier korte gedichten, waaronder dit vers:

Neen, het is nog geen nacht.–

twee of drie staan er nog op wacht,

maar het is verdomd donker.–

en misschien

worden zij afgeslacht

voordat zij den morgen zien.

Intermezzo

Doodsangst

Blijven lezen