Hoofdstuk 1
Een gewone Haagse jongen

In de groene Kikker met rood-wit gestreept broekje van Max Velthuijs (1923-2005) herkennen jong en oud zich. Kikker belichaamt ons aller verlangen naar vriendschap, geborgenheid én avontuur.

Als kleuter wist Max al de wonderlijkste dingen aan het papier te ontlokken: fantasiefiguren, huizen, ridders die elkaar te lijf gaan. Met grote toewijding kopieerde hij wat hij tegenkwam: vogels, schelpen, bloemen, schedeltjes, botten, insecten, de vlinderverzameling van zijn vader… alles zo heel precies. Omdat zijn moeder haar jongste én enige zoon zo lang mogelijk bij zich wilde houden, hoefde hij niet naar de bewaarschool. Zo had Max alle tijd om de platen uit de schoolatlas van zijn zusjes te bestuderen en na te tekenen. De details en het perspectief van zijn prenten waren zo overtuigend dat ooms, tantes en grootouders er grif een centje voor neertelden. Handelaartje-in-de-dop constateerde zijn moeder tevreden. Vanaf het moment dat hij naar school ging, werden de wandplaten van Cornelis Jetses een bron van inspiratie, vooral als er dieren op stonden. De fascinatie voor kaarten en plattegronden zou hij zijn leven lang houden.

Opvoeding

Max groeide op in een gewoon Haags gezin. Zowel zijn vader Johan Adrianus Wilhelmus Velthuijs (1884-1960) als zijn moeder, de in Duitsland geboren Hariet Elisabeth Wilhelmina Hertzner (1888-1960), was opgeleid tot onderwijzer. Moeder speelde piano, evenals twee van zijn zusjes. Vader had een cello en musiceerde regelmatig met een vriend. Af en toe werd er gezongen. Max was amper vijf toen hij zijn eerste kwartviool kreeg. Een vreselijk instrument, vond-ie.


Dat zijn vader hem uit zuinigheid zelf de kunst van het strijken wilde bijbrengen, maakte het er niet leuker op. Het ontging hem waarom hij de rondjes, strepen en vlaggen van het notenschrift moest leren. Ook zonder die tekens kon hij spelen wat hij hoorde.  
Op het terrein van de beeldende kunsten kregen de vier kinderen Velthuijs het nodige mee. Ze bezochten tentoonstellingen van moderne kunst of Panorama Mesdag, het cilindrische schilderij van zee, duinen en haven van Scheveningen. Moeder richtte haar esthetische ambities op de inrichting van het huis en het speelgoed van haar kinderen. Overal scharrelde ze poppen, beren en speelgoed vandaan dat haar man dan op moest knappen.

En niets maakte haar gelukkiger dan wanneer de kinderen in het bijzijn van vrienden en kennissen een Engelse uitdrukking of versje wisten te produceren.

Vader nam de kinderen regelmatig mee naar bos en duin maar kon behoorlijk streng zijn. Wie te laat kwam of iets had gedaan wat niet door de beugel kon, kreeg op zijn donder. En goed ook, een pak slaag had je zo te pakken. Aan zeuren en klagen had hij een broertje dood. En je moest wel heel ziek zijn, mocht je een dagje thuisblijven.

Moederskindje

Als jongste had Max minder te lijden onder de rechtlijnigheid van zijn vader. Niet alleen omdat zijn regime op den duur milder werd, zijn moeder beschermde hem ook. ‘Als klein kind kroop ik graag bij haar op schoot. Dan stak ik mijn hand onder haar borst waar het lekker warm en zacht was. Zij liet dat toe op dezelfde manier waarop een moederpoes haar jongen toelaat.’

 

Hoewel zijn moeder aan de uitoefening van haar beroep amper was toegekomen – in 1913 werd een onderwijzeres die trouwde automatisch ontslagen – gedroeg zij zich buitengewoon onafhankelijk. Ze droeg reformkleding, was dol op ‘chaufferen’ en had een uitgesproken handelsgeest. Alles wat ze mooi vond – meubelen, serviesgoed, auto’s, allerlei antieke spulletjes – kocht ze op om het even later weer door te verkopen.

Dat gedrag heeft iets onberekenbaars voor een kind. ‘Dan kwam je uit school en waren ineens alle meubels weg.’ Alles was altijd in verandering. Alleen de stoel van zijn vader, een robuuste houten kloosterstoel, bleef. In die stoel maakte Max zijn eerste tekenfilmpjes, van die flip- of flapboekjes met op iedere bladzijde een tekening zodat er, als je de blaadjes snel door je vingers laat gaan, bewegende beelden ontstaan. De humor ervan beviel hem, evenals de mogelijkheid de wereld naar je hand te zetten: krokodillen in kikkers veranderen, mensen en dingen laten verdwijnen, heel maken wat kapotging… 

Vlak bij de duinen en de zee

Het grootste deel van zijn jongensjaren bracht Max door in de Vogelwijk van Den Haag. Deze ‘tuinstadsvillawijk’ vlak bij de duinen en de zee, tussen 1917 en 1928 gerealiseerd, bood jonge gezinnen volop ruimte en frisse lucht. Een erfenis van een verre Duitse tante van zijn moeder had die aankoop mogelijk gemaakt. Zijn moeder richtte het met een zekere allure in. Overal hingen schilderijen, grote etsen van de jonge Anton Pieck en met de hand ingekleurde prenten. Er was een schouw met Delfts blauwe tegeltjes, met daarop van alles te zien. Eerder beeldcultuur dan een leesomgeving.

De tuin van het nieuwe huis was een eldorado voor de hele familie, inclusief poes en hond. Max’ vader bouwde er een grote ren in waar padden, een ringslang, kleine schildpadjes, duiven, loopeenden, muizen, ratten en egels vredig naast elkaar leefden. Er was zelfs een vijvertje en een heuvellandschap met gangen voor de marmotten. Alles wat zijn kinderen respect en verantwoordelijkheid kon bijbrengen voor wat leeft en bloeit, kreeg er een kans. Bomen, struiken, bloemen. Er kwam een appelboom die elk najaar kilo’s fruit opleverde, waar zijn moeder dan lekkernijen van maakte: taarten, jam, compote... 

Die appelboom was een bron van spanning en veiligheid tegelijk. Het plukken van appels was ten strengste verboden, maar gejatte appels zijn nu eenmaal het lekkerst. Dat de appelbomen in de latere boeken van Max veiligheid uitstralen, huiselijkheid én avontuur kan dus nauwelijks toeval zijn.

 

Huis, tuin en de nabijgelegen duinen boden een veilige haven waarin Max zich terug kon trekken en volmaakt gelukkig was. Een beetje luieren in een duinpannetje was nu eenmaal leuker dan binnen zitten en leren. Al heeft meester Duinker van de zevende klas een onuitwisbare indruk gemaakt. ‘Die man kon prachtig vertellen en rookte als een ketter. Ik mocht altijd sigaretten voor hem halen. Toen Euwe wereldkampioen werd, in 1935, en iedereen in Nederland wilde leren schaken, organiseerde hij schaaklessen op de woensdagmiddag. Daar ben ik hem nog altijd dankbaar voor.’ 

Twaalf ambachten, dertien ongelukken

Omdat ze in haar jongste zoon enige handelsgeest meende te bespeuren, stuurde moeder Velthuijs haar oogappeltje op dertienjarige leeftijd naar de ‘2e Gemeentelijke Handelsdagschool met 4-jarigen cursus’. Anders dan Simon Carmiggelt die eerder een paar jaar op deze school doorbracht, belandde hij op de dependance aan de Waldeck Pyrmontkade. Op het lesprogramma stonden vakken als Nederlands, Engels, Duits, geschiedenis, aardrijkskunde, wiskunde, rekenen, boekhouden, tekenen en gym. Voor die laatste twee haalde Max goede cijfers, maar rekenen en wiskunde vond hij lastiger. Tekeningen maken voor zijn klasgenoten in ruil voor een rolletje drop ging hem beter af. Maar toen hij ten slotte zijn viool om wist te ruilen voor een gitaar, ontplofte zijn vader bijna. Het nieuw verworven instrument droeg enorm bij aan zijn populariteit in de klas.

Max stortte zich op de muziek van de grote Amerikaanse en Britse dansorkesten die eind jaren dertig op de radio te horen was. Melodieuze nummers als ‘Honey Suckle Rose’, ‘Lady be good’, ‘Skylark’ en ‘Nuages’. Soms imiteerde hij samen met een vriendje dat heel handig was op de viool, het duo Django Reinhardt en Stephane Grappelli. 

Weggestuurd

Zijn ‘vlijt en gedrag’ lieten zoveel te wensen over dat hij aan het einde van dat eerste schooljaar al te horen kreeg dat hij wegens onvoldoende vorderingen niet langer kon blijven. Wat nu?

Een neef van moederskant, kapitein op een grote rijnaak die net met vrouw en pasgeboren kind op bezoek was, bracht uitkomst. Max kon hem wel komen helpen. Die had daar helemaal geen zin in. Hij wilde helemaal niet weg, en dan nog Duits praten ook. Maar het werd een ervaring waar elke jongen jaloers op zou zijn. Met een binnenvaartschip door de havens van Rotterdam varen, de Lek en de Rijn op, zelf aan het roer staan, de bootsman helpen in de machinekamer en ’s avonds zwemmen op stille ankerplaatsen.

Aan het eind van de zomer van 1937 meldde Max zich bij de opleiding voor winkelpersoneel en etaleurs. Daar werd veel getekend en de kunst van het etaleren werd afgekeken van warenhuizen als De Bijenkorf. Ook dit eindigde in een mislukking. Aan huiswerk kwam hij niet toe, zijn cijfers waren rampzalig. En zijn stage was op een afdeling voor kantoorbenodigdheden. Erger kon niet.  

Aan het werk

Omdat de banen in 1938 niet voor het oprapen lagen en hij toch iets met zijn tekentalent wilde doen, belandde Max ten slotte bij Gravura, een fabriek die clichés vervaardigde. Hij moest er koperen platen inbranden met asfalt en kreeg daar zulke zwartgeblakerde handen van dat hij met een week alweer vertrokken was. Vervolgens beproefde hij zijn geluk bij Tabur, fabriek voor elektrische huishoudelijke artikelen als broodroosters en strijkijzers. Hij tekende hun producten voor de catalogus. Toen er bezuinigd moest worden, kwam hij via een vriend terecht bij de hoedenwinkel van Meeuwsen aan de Venestraat. 

Het langst was hij manusje-van-alles op het kantoor van de V.V.M.Z., vereniging voor zuivelfabrikanten. Er werkten aardige mensen en de directeur mocht hem wel. Als zijn jongste bediende weer eens vergeten was de agenda voor de volgende vergadering rond te sturen, haalde hij zijn schouders op en zei doodleuk ‘volgende keer beter’. En dat was precies de ruimte die Max nodig had om tot zijn recht te komen. 

Oorlog

Twee weken voor zijn zeventiende verjaardag brak de oorlog uit. 10 mei 1940 was een stralend blauwe dag en overal in de lucht was het geronk van vliegtuigen te horen. De radio meldde dat er een Duits vliegtuig op het Bezuidenhout was gevallen. ‘Dat wilden we zien natuurlijk. Maar toen we achter de duinen een brandend toestel naar beneden zagen komen, zijn we naar het strand gefietst. De staart stak nog uit het water. Mijn vriend en ik hebben de verbrande piloot toen uit zee gehaald. Hij was hartstikke dood. Een zwart, verkoold ding – geen mens meer. Heel vreemd. Maar alles was vreemd.’ 

Later die dag fietsten ze naar een vriend in Kijkduin die vlak bij een noodvliegveld woonde. Onderweg zagen ze overal Nederlandse soldaten, verdekt opgesteld met geweren in de aanslag. ‘Op het dak van een loods hebben we pinda’s pellend en etend alles zitten volgen.’ Vijf dagen later capituleerde Nederland. Een groot gevoel van machteloosheid en woede overviel Max. ‘We hadden verlóren!’

 

In het begin leek alles nog min of meer gewoon. Sommige artikelen werden schaars, andere producten waren er niet meer. De meeste mensen pasten zich aan. ‘Ik heb nog even geprobeerd om me aan te sluiten bij het verzet, maar men vond mij te jong.’ Omdat het kantoor waar hij werkte een stencilmachine rijk was, mocht hij nog wel assisteren bij het drukken van opruiende pamfletten.

Arnhem

Eind december ’41 was duidelijk dat Hitler langs de kust van Frankrijk, België en Nederland verdedigingswerken ging bouwen. Ook de Haagse Vogelwijk zou daarvoor geofferd moeten worden. Max’ ouders besloten naar Arnhem te vertrekken. Aanvankelijk e weigerde Max mee te gaan. Hij wilde naar Engeland, met een vissersboot of desnoods met een kano. Maar omdat hij geen idee had hoe hij dat aan moest pakken, bezweek hij voor het lokaas dat zijn vader hem voorhield: een plaats aan de Middelbare School voor Beeldende Kunsten en Kunstnijverheid van Arnhem. Na alle rottige baantjes die hij had gehad, bleek ‘Kunstoefening 1802’ in de Koehoornstraat een waar paradijs.

Eindelijk volop ruimte en gelegenheid om te doen wat hij altijd het fijnste had gevonden: spelen met pen, penseel en papier. Hij liet zijn haar groeien, want dat deden kunstenaars, en dook in een totaal andere manier van leven, denken, praten en feesten.

Dat hun land bezet was, hield docenten en studenten wel bezig maar vormde geen directe bedreiging meer. Verreweg de meeste energie ging zitten in het ontwerpen van toegepaste kunst als affiches, briefpapier en mozaïeken. Bij grafisch ontwerpen leerden ze alles over reclametechnieken, over litho’s in de trant van Masereel of cartoons – vaak met een anti-Duitse lading – die ze naar een winkelier in de Steenstraat brachten. Die verkocht ze onder de toonbank aan geïnteresseerde klanten en dat leverde een bescheiden zakgeldje op.

Het atelier van klasgenoot Hans Bolleman, zoon van een textielbaron, was een ideale plaats voor feesten en partijen, eindeloos zingen, dansen en gitaar spelen. Iedereen bracht iets mee, een zakje suiker, een beetje spek en soms zelfs een paar flessen wijn. 

Op een van die feestjes liep Max Belleke Dolhain tegen het lijf, een meisje met een bijtend soort humor.

Hij was op slag verliefd. Belleke was vooral gecharmeerd. Alles aan die Haagse jongen was anders. Zijn lengte, zijn enigszins ironische stem, zijn gevoel voor humor. 
Belleke was achttien en woonde nog bij haar ouders in Zutphen. Max was twintig en had al veel meer vrijheid. Voor zover de oorlogssituatie dat toeliet, probeerden ze elkaar te ontmoeten in het atelier van Hans Bolleman of op een mooi plekje in het bos. Officieel mochten de mannelijke studenten alleen op bepaalde uren van de dag over straat. Maar daar hield bijna niemand zich aan. En zeker Max met zijn aangeboren zorgeloosheid niet.  

Zutphen

Toen het aantal razzia’s in september 1944 verontrustend begon toe te nemen en het ook in het atelier van Hans Bolleman niet veilig meer was, besloot Max naar Zutphen te lopen. Vol vertrouwen dat Bellekes ouders hem wel een plaatsje zouden bieden. Maar dat viel tegen. Bellekes moeder zag overal gevaar. Na enig soebatten kreeg hij de zolderkamer op voorwaarde dat hij zijn eigen eetbonnen zou regelen en zijn steentje bij zou dragen in het huishouden: eieren en melk halen bij de boeren in de omgeving, spullen ruilen voor eten, hout sprokkelen, bomen verzagen, schoenen repareren en daken herstellen. 

Twee maanden voor de bevrijding ging het alsnog mis. Bij een poging de brug over de IJssel over te steken, werd Max gearresteerd en belandde hij in de jeugdgevangenis van Zutphen. Na een paar dagen werden alle arrestanten overgeplaatst naar Steenderen, waar ze met een paar honderd jongens stellingen moesten graven. Een enorme vooruitgang, vond Max. Bijna een bevrijding, want weer buiten en de zon op zijn gezicht. ’s Nachts sliepen ze in een school, waar Belleke regelmatig langs fietste met een potje eten. Ondertussen kwamen de Amerikanen en Canadezen steeds dichterbij. Iedereen voelde dat het niet lang meer zou duren. Toen bekend werd dat ze afgevoerd zouden worden, vroeg hij Belleke een van haar vaders hoeden mee te brengen. ‘In een lange stoet sjokten we terug naar Zutphen. Vooraan paard en wagen met onze schamele bezittingen, achteraan een paar Oostenrijkertjes om ons te bewaken. We kwamen nauwelijks vooruit, zo moe waren we. De meesten hadden geen schoenen meer. Omdat ik erop rekende dat Belleke zou komen, liep ik helemaal vooraan. Toen ze op een gegeven moment naast me kwam fietsen, heb ik die hoed opgezet, ben ik op haar fiets gestapt en langzaam voor de troep uit weggereden.’ Er was niemand die hem terugriep. 

Alles vernield

Kort na de bevrijding ging Max terug naar Arnhem. Huizen, straten en pleinen boden een troosteloze aanblik. Wat in september 1944 bij de mislukte Slag om Arnhem niet door bommen of kogels was getroffen, was vernield door het vuur dat de Duitsers hadden aangestoken. Uit de rokende puinhopen was alles meegenomen wat nog enigszins eet- of bruikbaar was.

Hoewel de academie als een van de weinige gebouwen in het centrum van Arnhem min of meer ongeschonden was gebleven, piekerde Max niet over hervatten van de studie. Van binnen zitten en doen wat anderen je opdragen had hij zijn buik meer dan vol. Hij wilde aan het werk, bouwen aan een betere en rechtvaardiger wereld met voor iedereen gelijke rechten.

Twee jaar Middelbare School voor Beeldende Kunsten en Kunstnijverheid mocht dan geen complete vakopleiding hebben opgeleverd, hij had genoeg gezien, gehoord en geleerd om op eigen kracht verder te kunnen.