W.J.
de Gruyter

1956

Bijzondere-prijs
W. Jos de Gruyter (1899-1979) kreeg de bijzondere prijs 1956 voor zijn essaybundel Schouwend oog.

Schouwend oog (1955) bevat een keuze uit de kunstkritieken en -beschouwingen voor dag- en weekbladen, voornamelijk uit de Haagse krant Het Vaderland. Eerder was De Gruyter kunstcriticus voor het Utrechtsch Dagblad en hij schreef onder meer voor de bladen Opgang, De Stem en Elsevier’s Geïllustreerd Maandschrift.  

 

‘Voortreffelijk zijn de stukken, die aan bepaalde figuren of tentoonstellingen zijn gewijd’, zoals die over Edvard Munch, Herman Kruyder, Piet Ouborg, Matthijs Maris of Caravaggio, schreef de jury. ‘Ook de beschouwingen over bepaalde onderwerpen als de Primitieve Kunst, Poëzie en Daemonie van het Masker en over Japanse weefsels, getuigen van een grote kennis niet alleen, maar bovendien van een verfijnde en gewaarmerkte smaak, diepe bezinning en ware cultuur.’ Zijn werk is van literaire kwaliteit en getuigt van grote denkkracht. ‘Dat bijna het gehele critische werk van De Gruyter in de allereerste plaats aan ’s-Gravenhage is ten goede gekomen, was (…) mede aanleiding’ voor de bekroning.  

‘Voortreffelijk zijn de stukken, die aan bepaalde figuren of tentoonstellingen zijn gewijd,’

In 1955 was Jos de Gruyter benoemd tot directeur van het Museum van Oudheden voor Provincie en Stad Groningen, het tegenwoordige Groninger Museum. ‘Een bundel ten afscheid van zijn vak’, kopte het Algemeen Handelsblad over Schouwend oog. Met de benoeming tot directeur ‘is dit jaar uit de rijen van de dagelijkse kunstkronikeurs een van de fijnzinnigste en belangrijkste figuren verdwenen. Gevoelig en zachtmoedig van hart, was hij in zijn critiek eerder geneigd tot een meedogend vooral het goede willen zien dan tot een scherpe ontmaskering van feilen. Vooral jongeren hadden in hem een grote steun, eenmaal door hem erkende kunstenaars een goede vriend. Hij wist de grenzen van eigen persoonlijke beoordeling, bezat (en bezit) een milde ironie en een soort Oosterse wijsheid en, voor de kunstcriticus onontbeerlijk, een fijn gevoel voor kwaliteit.’ 

 

De Gruyter was opgeleid tot graficus aan de Beckenham School of Arts and Crafts en het Royal College of Art in Londen. Zijn vroege jeugd bracht hij door in Singapore en Nederlands-Indië. In 1924 publiceerde hij zijn eerste kunstbeschouwing in De Gids, over Jan Mankes. In de jaren twintig volgden monografieën van o.a. Van Gogh, Rodin en Käthe Kollwitz en in later jaren publiceerde hij over Aziatische kunst en Maya-kunst.  

Jury 

De jury bestond uit: Bert Bakker, Pierre H. Dubois, Gerrit Kamphuis, A. Mout.

 

Uitreiking

Aan de prijs was een bedrag van 1.000 gulden verbonden. De officiële uitreiking vond plaats op vrijdag 30 november 1956 in het stadhuis van Den Haag.   

 

Credits portretfoto: Hans Roest