Jo
Boer

1948

F. Bordewijk-prijs
Jo Boer (1907-1993) kreeg de F. Bordewijk-prijs 1948 (toen nog Vijverberg-prijs genoemd) voor de roman Kruis of munt.

‘Een meesterwerk. (…) Het beklemt, maar het boeit, het is verschrikkelijk, maar het is machtig,’ aldus juryvoorzitter F. Bordewijk. ‘In de grote productie van na de bevrijding zie ik geen enkel boek, dat met dit kan worden vergeleken.’ 


Kruis of munt was ‘outstanding’, het zou ‘in elke literatuur, ook in de literaturen die meerdere grote schrijvers kennen’, een ‘sieraad’ zijn en de jury vond het ‘een werkstuk van een gehalte, zoals men maar zelden in de galerijen der kunst zal ontmoeten’. 


Kruis of munt werd door de schrijfster-schilderes ‘het verslag van mijn jeugd’ genoemd. In 1949 zou het verschijnen bij de Haagse uitgever A.A.M. Stols. Het is een naturalistische familieroman met als middelpunt Jopie Landman, die als 1-jarige met haar gescheiden moeder Aletta en haar grootouders – een kindse oma en een tiran van een grootvader – als kind vanuit Soerabaja naar Den Haag is gekomen. Daar wordt de moeder met de nek aangekeken, wat ze afreageert op dochter Jopie. Bruno Waringa heerst als een patriarch over het leven van zijn twee dochters en belet hun een leven te leiden. Agaath, die al eerder door hem naar Nederland was gebracht om te verhinderen dat ze met een ‘Indo’ trouwde, kwijnt weg in een inrichting. Alles voor het goede fatsoen. 


Het Limburgsch dagblad schreef dat Marcellus Emants begonnen was met zijn waarschuwingen over de decadente, zieke burgerlijke beschaving, ‘later gevolgd door Couperus, en Jo Boer houdt nu in Kruis of munt de trieste lijkrede. Het is een gemeenplaats geworden om te zeggen, dat het gezin de opbouwende cel is van de maatschappij. In Kruis of munt beschrijft Jo Boer de ziekte van een der cellen en geeft meteen een bepaald ziektebeeld van de (gestorven) Burgermaatschappij. (…) Dat Jo Boer met haar verhaal niet alleen maar bedoelt een bittere anecdote te vertellen, doch zo het “burgerlijke leven” van een in de laatste wereldoorlog overwonnen beschaving interpreteert, wordt op een paar plaatsen onthuld.’ 


Jo Boer debuteerde in 1938 als romanschrijfster met Catherina en de magnolia’s. ‘Dat het een debuut is, kan men aan de stijl nergens merken, want onrijp is dit werk allerminst,’ schreef een lovende Menno ter Braak destijds. ‘Het heeft veeleer een soort rijpheid, die ons nieuwsgierig doet afwachten, of Jo Boer zich op dit niveau zal weten te handhaven zonder zich te herhalen.’ Ze publiceerde in de jaren veertig de verhalenbundel De vertroosting van het troosteloze (1947) en de roman Melancholie der verzonken jaren (1948) en was in die periode ook vertaalster.


Burgemeester Visser had gezegd ‘het een voorrecht te vinden, dat mej. Jo Boer, die meestentijds buitenslands vertoeft, de gelegenheid heeft kunnen vinden naar Den Haag te komen om deze prijsuitreiking mede te maken’, aldus dagblad De Nederlander. De schrijfster-schilderes woonde met haar partner Johanna Roelofswaert in het gehucht Les Rouettes-en-Normandie, nabij Parijs. Daarvoor woonden ze in Parijs – met Charles de Gaulle als buurman –, korte tijd in Italië en jarenlang in Algerije. Haar tijd in Parijs verwerkte ze in de roman Wereldtentoonstelling (1939), als schilderes decoreerde ze het Nederlands-Indisch paviljoen van de Koloniale Tentoonstelling (Parijs, 1931). 


1948 was het eerste jaar dat de Vijverberg-prijs werd toegekend. Voorwaarde was dat de roman ten dele in Den Haag speelde. Het boek van Jo Boer was nog ongepubliceerd: auteurs stuurden in op een prijsvraag. Deze criteria werden al snel losgelaten. Twee inzendingen kregen een eervolle vermelding: ‘Parade der schamelen’ door H. Hardon en ‘De vreemde broeder’ door Anton van der Vet. 

 

Jury

De jury bestond uit F. Bordewijk, Martinus Nijhoff en J. Hulsker.

 

Uitreiking

Aan de prijs was een bedrag van 1.500 gulden verbonden. De prijs werd op 11 januari 1949 uitgereikt aan beide winnaars van de door de Jan Campertstichting uitgeschreven prijsvragen. Jan G. Elburg kreeg de Jan Campert-prijs 1948. 

 

Credits portretfoto: Literatuurmuseum