J.
Bernlef

1977

F. Bordewijk-prijs
J. Bernlef (1937-2012) kreeg de F. Bordewijk-prijs 1977 (toen nog Vijverberg-prijs genoemd) voor De man in het midden

In deze roman komen volgens de jury de sterkste elementen van Bernlefs schrijverschap naar voren: een scherp waarnemingsvermogen en precisie in de gehanteerde taalmiddelen. 

 

De man in het midden is het relaas over een grootvader en een kleinzoon, geregistreerd door de laatste. Wat beide figuren met elkaar verbindt is behalve de familierelatie ook een aantal karaktertrekken en vooral ook het gemeenschappelijk probleem om individualiteit te combineren met politiek engagement. (…) De ik-figuur vraagt zich op een bepaald moment af, “hoe je een boek over iets kunt schrijven door het onderwerp te verzwijgen”. Bernlef heeft het thema van politieke bewustwording en engagement niet in “verzwegen” vorm aangeboden, maar wel geïntegreerd en geconfronteerd met de geschiedenis van twee individuele levens.’

 

Criticus Ab Visser van de Leeuwarder Courant noemde De man in het midden (1976) Bernlefs ‘tot nog toe meest geslaagde en stellig zijn sympathiekste boek’. In de roman, ‘of beter gezegd, dit autobiografische geschrift’, werpt Bernlef als 40-jarige een blik op zijn leven en herkomst. Het eerste deel begint met de crematie van de grootvader, ‘een sterke, maar wat stugge en rechtlijnige persoonlijkheid’, een marxistische elektrotechnicus en instrumentmaker die gedesillusioneerd raakte na de val van Stalin. Bernlef zag in het Amerika van Kennedy en Martin Luther King nog een democratisch ideaal, aldus Visser, tot ook hij teleurgesteld werd door Vietnam, Watergate en de CIA. 

 

De grootvader is voor de verteller niet in zijn totaliteit zichtbaar te krijgen, schreef Kees Fens in de Volkskrant. ‘Hij houdt, tweede betekenis, ook iets grijs. En dat laatste ook in zijn politiek en maatschappelijk denken. De grootvader is de man van het midden en hij blijft het. (…) De man heeft zijn leven lang van alles lijsten en technische rapporten gemaakt, maar de werkelijkheid is groter dan de som van alles dat is gemeten en opgeteld (…).’

 

J. Bernlef schreef gedichten, verhalen, romans en essays. Hij was in 1958 een van de oprichters van het spraakmakende literaire tijdschrift Barbarber. Bernlef debuteerde in 1959 met de dichtbundel Kokkels en de verhalenbundel Stenen spoelen (als dubbeldebuut bekroond met de Reina Prinsen Geerligsprijs). Hij ontving in de jaren zestig tweemaal de Amsterdamse Poëzieprijs, en de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs voor de dichtbundel Dit verheugd verval. Hij was literair criticus voor De Groene AmsterdammerHet ParoolDe gids en het Algemeen Dagblad. In 1977 trad hij toe tot de redactie van Raster.

 

Jury

Van de jury maakten deel uit: Gerrit Borgers, Pierre H. Dubois, Jacques den Haan, Gerrit Kamphuis, André Matthijsse, Harry Scholten en Paul de Wispelaere.

 

Uitreiking

Aan de prijs was een bedrag van 3.500 gulden verbonden. De uitreiking vond plaats op maandagavond 19 december 1977 in het Haagse stadhuis.

 

Credits portretfoto: Joost Evers / Anefo / Nationaal Archief, CC0