Lucebert

Lucebert is één van de belangrijkste Nederlandstalige dichters van de vorige eeuw. Als een van de Vijftigers wist hij zich razendsnel een positie te verwerven in het Nederlandse literaire leven, en van die Vijftigers was hij degene die zich tot ‘keizer’ liet kronen. Het is een staaltje zelfvergroting dat wel paste bij de expressionistische poëzie en de bijbehorende ambitie. Zijn taal was associatief, spontaan, rauw, beeldenrijk. En de gedichten gaan ook ergens over: wat het is om mens te zijn in een overdonderend universum, en ook: in een onrechtvaardige wereld.

Na de ontdekking in 2018 van een verzameling brieven waarin Lucebert antisemitische teksten opschreef, is het onontkoombaar dat het ook even daarover moet gaan, wanneer het over Lucebert gaat. En het is logisch dat meteen maar te doen, want hij schreef die brieven nog voordat hij als dichter en schilder actief was, zelfs voordat hij zich Lucebert ging noemen. Hij was zoekend naar een manier om kunst te beleven, en vond die in Duitsland. Eerst in de romantiek, daarna ook in de esthetiek van het nationaalsocialisme.


Nadat hij als kunstenaar zijn vorm had gevonden, is er van antisemitisme in zijn werk geen spoor meer te bekennen. Voor een jeugdzonde was hij wat aan de oude kant, maar atypisch waren de brieven zeker. Slechts een aspect ervan zou Lucebert trouw blijven: de fascinatie voor meeslepende kunst, waarbij literatuur en beeldende kunst deel gaan uitmaken van een groots, kosmisch geheel.


 

Lucebert en Simon Vinkenoog bij de presentatie van de wandschildering van Lucebert in het Literatuurmuseum/Kinderboekenmuseum, 1983. Foto: Annelies Flinterman/Literatuurmuseum

 


Aanvankelijk leek Lucebert voorbestemd voor de beeldende kunst. In 1938 en ’39 bezoekt hij het Instituut voor Kunstnijverheidsonderwijs in Amsterdam, en vanaf het midden van de jaren veertig krijgt hij regelmatig opdrachten voor wandschilderingen. Langzaam maar zeker krijgt hij contact met schilders en dichters, en zijn eerste gedichten worden gepubliceerd in het Cobra-tijdschrift Reflex, waaronder de beroemde ‘Minnebrief aan onze gemartelde bruid Indonesia’. Zijn eerste dichtbundel verschijnt in 1951: Triangel in de jungle gevolgd door de dieren derdemocratie.


Hij is nu een prominente lid van zowel Cobra als de Vijftiger, dichters die zich beroepen op het expressionisme en de avant-garde van voor de oorlog. Weg met de degelijke kant waarin de naoorlogse kunst in Nederland zich leek te begeven.


 

Deel van het ontwerp van het elektriciteitshuisje

 


Binnen de kortste keren behoren de Vijftigers tot de gevestigde orde: het is typerend dat Lucebert maar liefst drie keer de poëzieprijs van de gemeente Amsterdam ontvangt (1953, 1956, 1962). In 1965 is de Constantijn Huygens-prijs voor Lucebert, in 1967 ook de P.C. Hooftprijs.


Of dat hem geremd heeft, valt niet te zeggen maar vanaf het eind van de jaren zestig krijgt de beeldende kunst lange tijd de overhand. En net zoals hij de taal vervreemdend hanteren, doet hij dat ook met het schildergerei: in zijn werk worden menselijke en dierlijke figuur vaak op een absurdistische manier vervormd.


In de jaren tachtig keert hij terug, met enkele sterke, door hemzelf geïllustreerde dichtbundels.


Lucebert heeft voor het Literatuurmuseum veel betekend. Voor de oplevering van het gebouw in Den Haag maakte hij een 42 meter lange wandschildering: ‘Namiddag van een faun’. Het museum beschikt over een rijk archief, dat bron is voor veel onderzoek, en ook voor de decoratie van het elektriciteitshuisje waarop het Lucebertcafé in het museum uitkijkt.


 

Coupure uit de vierde wand van Lucebert met tekst van Jan Hanlo, 1983.
Foto: Annelies Flinterman/Literatuurmuseum