Het is 1953 als Simon Vinkenoog in Parijs verblijft (de stad waar hij in 1948 is neergestreken: ‘In Amsterdam gebeurde gewoon niets’), waar hij zijn werkzaamheden voor Unesco combineert met schrijven. Hij schrijft gedichten, een prille roman, maar toont zich vooral productief als brievenschrijver. Zijn contacten bevinden zich op afstand en Vinkenoog vereenzaamt. Dan ontvangt hij een brief, afkomstig van de Nederlandse Elsetine den Daas, twintig jaar oud, waarin zij hem vraagt om bemiddeling: ze wil ook naar Parijs. Ze sluit twee foto’s bij waar Vinkenoog direct van gecharmeerd is: ‘Waarom u juist mij moest uitzoeken is mij natuurlijk een raadsel, er zijn officiele adressen hier te Parijs die hun bemiddeling verlenen (...). Ik begrijp het echter: U wilde twee fotoos kwijt van een zeer aantrekkelijke jongedame en inderdaad, ik houd ze voorlopig hier. Om te bezien. Dagelijks.’
Na een aantal ‘kille ontmaagdingen’ (waarover hij aan vriend en schrijver Hugo Claus per brief verslag doet), raakt hij in de nazomer van 1953 hevig verliefd op Den Daas. Wanneer ze in september 1953 voor het eerst samen in Parijs zijn, fotografeert Ed van der Elsken de twee: in de weerspiegeling van een winkelpui zie je ze in nette kleding staan, hun ellebogen lijken elkaar net te raken. Misschien ligt het aan zijn dichtersinborst, of aan het feit dat de twee geliefden middels brieven contact moeten onderhouden omdat ze een flinke treinreis van elkaar verwijderd zijn, maar deze combinatie van factoren brengt een indringend liefdesrelaas voort. De brieven die Vinkenoog schreef aan Den Daas zijn te vinden in het Literatuurmuseum – haar brieven aan hem zijn niet bewaard gebleven.
