Louis Paul Boon: ‘Ik geloof ondertussen dat het met schrijven afgelopen is’

Roman Helinski leest in het archief een indringende brief van Louis Paul Boon. Nadat zijn nieuwe roman De paradijsvogel met de grond gelijk wordt gemaakt, is hij uiterst dankbaar voor één positieve recensie. De brief biedt een uniek kijkje in de onzekerheid van het auteursbestaan, wanneer erkenning na jarenlange waardering opeens uitblijft.

Elke maand de nieuwste verhalen lezen? Schrijf je in voor de nieuwsbrief

‘Ik schrijf u maar, omdat uw stuk over De paradijsvogel mij getroffen heeft. U bent werkelijk de enige die hem niet neergekwakt hebt.’ Deze woorden lees ik in een handgeschreven brief van Louis Paul Boon, de grote socialistische schrijver uit Aalst, schepper van vergeten straten, overlopen voorsteden en heel wat Vlaamse miserie. De brief van Boon biedt een unieke inkijk in de psyche van de auteur. De woorden zijn behoorlijk confronterend, ik herken in Boons ijdelheid de twijfel van zowat elke schrijver, inclusief mezelf.

Het staat buiten kijf dat Louis Paul Boon (1912-1979) een groot, groot auteur was. Zijn boek Mijn kleine oorlog is onvergetelijk, rauw, wild en op een onvermijdbare manier op papier gesmeten. De lezer kan niet om deze compromisloze vertelling heen. Om over De Kappellekensbaan nog maar te zwijgen. Uniek werk, wereldliteratuur.

En dan is daar in 1959 plots die handgeschreven brief van een kantje, opgesteld aan recensent Anne Wadman uit Sneek, Friesland. Boon begint:

 

Het is niet een mijner gewoonten, te schrijven naar de krant waarin mijn werk besproken werd. Dit is werkelijk de allereerste keer.

 

In de zomer van 1959 heeft Louis Paul Boon zijn nieuwe, grote roman gepubliceerd. De paradijsvogel. De roman draagt als ondertitel: relaas van een amorele tijd. Volgens Kris Humbeeck, die een wetenschappelijke inleiding schrijft in het dertiende deel van het Verzameld werk van Boon, is het een symbolische vertelling over het ontstaan van godsdiensten. Hij typeert De paradijsvogel als een complex boek met een bedrieglijk lichtzinnige toon. In de roman komen vier ik-vertellers aan het woord. Onder wie de voluptueuze filmster Beauty Kitt, gebaseerd op Marilyn Monroe, en de bokser Vulcan Fiber. Het amorele galmt door de roman als een noodkreet. Boon vertelt over het verval in de stad Taboe, mengt mythische en Bijbelse motieven door zijn verhaal dat bol staat van symboliek. Zijn toon is ironischer dan in zijn eerdere werk. Minder rauw en wild. De roman getuigt van een enorme schrijftechnische begaafdheid, zou je kunnen zeggen. Maar de conclusie kan ook zijn dat de onstuimigheid in het bloed van de auteur wat is gaan liggen. En juist dat doorleefde karakter is de kracht van het oeuvre van Boon tot dan toe.

 

Louis Paul Boon als redacteur van Vooruit. Collectie: Louis Paul Boon, Universiteit Antwerpen (België), 2008.

 

Critici hebben moeite eraan te wennen dat Boon een nieuwe weg inslaat met deze ambitieuze roman, zeker de gelovige critici. De kritieken zijn snoeihard. Een van de gemeenschappelijke conclusies lijkt te zijn dat het Boon ontbreekt aan de intellectuele vermogens om De paradijsvogel te laten slagen. De roman wordt een hutspot van verhaallijnen genoemd en ‘ronduit een mislukking’. Een van de weinige positieve recensies komt uit Nederland. Recensent Anne Wadman van De Leeuwarder Courant is zeer lovend:

 

Boon heeft over de werkelijkheid heen gegrepen naar een soort superwerkelijkheid. En hij bereikt dat door een grandioze vervorming en verdikking van enkele grondlijnen die door het fenomeen wereld heenlopen en die stuk voor stuk de kromme en wanstaltige vertakkingen zijn van die ene grondlijn der seksualiteit.

 

Wadman omschrijft De paradijsvogel als ‘een cultuurbeschouwing in monsterlijke karicutale [sic] verbuiging’ en heeft grote bewondering voor de ‘grandioze barokke compositie’ die het ‘tot een werk [maakt] dat buiten iedere classificatie valt en dat de uiting is van het volledige meesterschap waartoe Louis Paul Boon zich in zo’n korte tijd heeft ontwikkeld’.

Boon schrijft de recensent een dankbetuiging en toont daarbij opmerkelijk genoeg geen interesse in de ontvanger van zijn brief. Des te opmerkelijker is dit, omdat Wadman dezelfde naam heeft als een van de hoofdpersonages in de besproken roman. Wadman zelf grapt hierover in zijn recensie: ‘Met mijn objectiviteit ten aanzien van deze roman zal het dus wel pover gesteld zijn.’

 

Zo sluipt de twijfel in de geest van de schrijver en in de zinnen die hij produceert

 

Boon zwijgt over deze overeenkomst. Hij probeert bovendien niet te achterhalen waarom de ander zo geïntrigeerd is door zijn werk. Het is kennelijk voldoende voor hem om zijn gevoel en dankbaarheid over te brengen. Het is een hartverscheurend beeld, deze grote auteur die, zo stel ik me voor, aan zijn werkbureau een dankbrief schrijft. Stevig in zijn schrijverseer beschadigd na zoveel vileine kritieken te hebben ontvangen:

 

Misschien stelt u zich dit niet voor, maar terwijl men worstelt om deze al te vluchtige vogels van de geest bij de vleugels te grijpen en voor immer op het papier vast te spijkeren, denkt men aan iemand, worstelt men voor deze iemand. Bij ontzettend veel andere, denkt men ondertussen toch ook, ergens vaag, ergens diep: dit heb ik nu toch, geloof ik, fijn gelapt – Woutertje zal het wel mooi vinden. 

In één zin heeft het schrijven van de Paradijsvogel me diep ontmoedigd: Woutertje vond het zelf een prulboek.

Daarom schrijf ik nu: ik voel me uiteindelijk gerust, er is dan toch iemand geweest die achteraf zei: goed, daar hoorde ik wat dat mij trof.

 

Deze passage uit Boons brief illustreert zo goed de onzekerheid van het auteursbestaan. Jarenlang werk je aan een boek dat pas echt tot leven komt als mensen het zien. Gebogen over het papier – of tegenwoordig de laptop – is er altijd twijfel die aan de kant moet worden geschoven, want wie twijfelt aan de eigen woorden tijdens het schrijven, kan niet luisteren naar de stem van binnenuit, de unieke stem die het werk onderscheidend maakt. Wanneer erkenning uitblijft, is het heel moeilijk om bij het volgende boek op dezelfde vasthoudende wijze te geloven in de grote waarde van wat je maakt. En zo sluipt de twijfel in de geest van de schrijver en in de zinnen die hij produceert. Twijfel die veel minder vluchtig is dan de vogels waarover Boon zo beeldend spreekt. De schrijver voorziet zijn brief nog van een gekweld slotakkoord:

 

Ik geloof ondertussen dat het met schrijven afgelopen is.

 

Afgelopen is zijn schrijverscarrière dan gelukkig nog niet. Boon publiceert nog werk, maar behaalt niet meer de successen van voorheen. In 1959 schrijft hij onder het pseudoniem Leo Waitmas het feuilleton De liefde van Annie Mols, dat later als roman zal verschijnen. En pas zes jaar later heeft hij de moed verzameld om weer onder zijn eigen naam te publiceren, met de roman Het nieuwe onkruid (1964). Wrang genoeg neemt de waardering van De paradijsvogel naarmate de jaren verstrijken toe – tegenwoordig wordt de roman gerekend tot een van zijn sterkste werken.

 

Brief van J.C. Bloem aan Anne Wadmans. Collectie: Literatuurmuseum