Ab Visser

(1913-1982)

Ab Visser schreef omdat hij niet anders kon en niet anders wilde. Hij was een getalenteerd broodschrijver, een van de veelzijdigste schrijvers van ons land. Dat was tegelijkertijd ook zijn zwakte. Hij was ‘geen sterk merk’, zoals zijn biograaf Michiel van Diggelen over hem opmerkt. Voor Visser was het schrijverschap een zelfgekozen beperking waarin hij zich thuis voelde.

Vervaardigd 1948
Techniek Olieverf op hardboard
Afmetingen 53 x 39 cm

Ab Visser

door Ina Hooft (1894-1994)

Van 1948 tot 1953 verbleef Ab Visser vele maanden per jaar op De Pauwhof te Wassenaar, waar kunstenaars en schrijvers in alle rust konden werken en recreëren. Hier deed Visser contacten op met schrijvers als J.C. Bloem, C. Buddingh’ en vele anderen. In 1974 schreef hij over zijn verblijf op De Pauwhof Het klooster van Sint Jurriaan, een smakelijk herinneringsboek vol vileine anekdotes. Waarschijnlijk heeft hij hier ook Ina Hooft, de maker van dit portret, leren kennen; het is in elk geval in deze statige villa dat dit portret is gemaakt. In zijn herinneringen wordt overigens met geen woord over de schilderes of dit portret gerept.

In 1948, als dit portret gemaakt wordt, is Ab Visser 35 jaar. Er is nog niets te zien van de ziekte van Bechterew; de ziekte die hem helemaal zou doen verkrommen. Hoewel hij als dichter was begonnen – in 1936 was hij gedebuteerd met de bundel Facetten – heeft hij in 1948 al min of meer afscheid genomen van de poëzie. Wel blijft hij doorschrijven aan een stroom van romans, novellen, feuilletons, spookverhalen, kinderboeken… Overigens van sterk wisselende kwaliteit. Het is in 1948 dat hij zich voor het eerst inlaat met het genre waar hij de meeste bekendheid aan dankt: de detective.

Visser oogstte waardering bij onder meer Willem Frederik Hermans, die in 1946 over hem schreef: ‘Als deze jongen zo doorgaat, kan hij een geweldig historisch romancier worden’. En Gerard Reve liet zich in een brief ontvallen: ‘Schrijven dat kun je wel, daar ligt het niet aan, bij jou.’ Je hoort het ‘maar’ al op de achtergrond, en inderdaad, ondanks de ruim 70 titels die hij op zijn naam heeft staan,  heeft Visser nooit de grote bekendheid gekregen waar hij naar verlangde en stond zijn leven in het teken van ‘de doorbraak die nooit kwam’.