Gerard den Brabander

(1900-1968)
In zijn gedichten toonde Gerard den Brabander (ps. van Jan G. Jofriet) zich vaak opstandig, maar gaandeweg maakten zijn cynisme en sarcasme plaats voor melancholie en levensaanvaarding. Hoewel hij vooral bekend was om zijn poëzie – en ook wel om zijn drankzucht – was hij eveneens medewerker van het tijdschrift Criterium, vertaler van onder meer Shakespeare, Tolstoj, Ibsen en Rilke, en de schrijver van de novelle Eroïca in zakformaat.
Vervaardigd ongedateerd
Techniek Olieverf op doek
Afmetingen 40 x 40 cm

Gerard den Brabander – 'Portret van de dichter'

door Freek van den Berg (1918-2000)

‘Wat is die onzin van Lucebert, Kouwenaar en Campert, die zo verwoed strijden tegen de duffe burgerlijkheid en die zo progressief zijn zolang hun inkomen en hun populariteit geen gevaar lopen, waard naast bijvoorbeeld twee gedichten van Gerard den Brabander, als ik die mag aanwijzen,’ schrijft Gerard Reve in 1980 in Moeder en zoon over ‘de oude bard’. Hij doelt op de ‘Ik, kleine slaaf van poëzie en taal’ en ‘O kleine zielen vol gedempt verdriet’, beide afkomstig uit Den Brabanders bundel De holle man.

Het overgrote deel van de critici is het er over eens. Den Brabander heeft prachtige, diep gevoelde poëzie geschreven, maar ook een hoop rotzooi, ‘bezopen rijmelarij’. Als Den Brabander in 1968 overlijdt, schrijft De Gelderlander: ‘Er waren eigenlijk twee Den Brabanders: een die met zijn gedichten verraste en de man van wie je weer eens een niet zo’n geslaagd gedicht las’. Schrijver Jan H. de Groot noemt Den Brabander na Gerrit Achterberg de belangrijkste dichter van de generatie van dertig en volgens Ed. Hoornik was Den Brabander een van onze grootste en merkwaardigste dichters, iemand die de macht van het woord bezit, maar daarnaast lijdt aan de onverbiddelijkheid van de maatschappij. Den Brabanders eerste gedichten zijn luchtig, vaak wat anekdotisch, later worden ze scherper, navrant bijna, en tot slot sijpelt er mildere melancholie en berusting door in zijn werk, dat een – vaak boze – afwijzing is van alles wat kleinburgerlijk is. En hoewel zijn werk vol pessimisme en felle opstandigheid zit, heeft het ook romantische trekken.

In 1984, een kleine 15 jaar na zijn dood, geeft Van Oorschot Den Brabanders Verzamelde verzen uit, een imposante bundel van zo 800 pagina’s. Helaas, het mag niet baten; Den Brabander is inmiddels zo goed als vergeten.

Vervaardigd ongedateerd
Techniek Olieverf op doek
Afmetingen 100 x 80 cm

Gerard den Brabander

door Freek van den Berg (1918-2000)

Dat Gerard den Brabander in deze schrijversgalerij vertegenwoordigd is met meerdere portretten door Freek van den Berg ligt voor de hand: ‘niemand werd zolang door het beeld van de dichter geobsedeerd als deze schilder, die naar verluidt hem gedurende jaren van hun omgang portretteerde in ongeveer honderdvijftig tekeningen, vijfentwintig etsen en litho’s en een dozijn schilderijen…’, vertelt schrijver Pierre H. Dubois in een artikel over dit portret in het boek In zijn soort een mooi werk. Het museum bezit een deel van deze portretten, die door de pers worden bejubeld en gezien als een van de hoogtepunten in Van den Bergs oeuvre. ‘Jij bent mijn schilder-biograaf”, zei Den Brabander ooit tegen hem. ‘Zo te zien word ik steeds gekker,’ en hij leek tevreden met die ontwikkeling, constateerde de schilder.

Van den Berg leerde Den Brabander in 1940 kennen op een feestje bij de schilder John van Deventer, zo meldt Dubois, die de dichter in dezelfde periode leerde kennen via Ed. Hoornik met wie Den Brabander, samen met Jac. van Hattum, in 1938 de bundel Drie op één perron. Verzen had gepubliceerd.

Volgens Dubois vertoont dit portret niet alleen een overtuigende uiterlijke maar ook een zeer geslaagde innerlijke gelijkenis van zowel de persoon als de dichter Den Brabander. Hij meent dat  Van den Berg hier zeer treffend is gekomen tot een uitbeelding, ‘welke de bohémien, drinkebroer en poète-maudit, dwars door zijn verfomfaaide voorkomen en zijn verwoest uiterlijk héén, tot de kern van zijn dichterlijkheid transcendeert’.

Vervaardigd ongedateerd
Techniek Olieverf op paneel
Afmetingen 36 x 24,5 cm

Gerard den Brabander

door Edmond Bellefroid (1893-1971)

Hoewel dit portret ongedateerd is, zien we hier een tamelijk keurige Gerard den Brabander, die in weinig lijkt op de dichter zoals schilder Freek van den Berg hem vele malen portretteert. Daar zien we Den Brabander vooral afgebeeld als een opstandige, rebelse dichter met woeste baard die wel van een borrel houdt. De Limburgse kunstschilder, keramist en industrieel ontwerper Edmond Bellefroid daarentegen toont ons een keurig gekapte en geschoren heer. Iemand die meer lijkt op de ambtenaar die hij jarenlang óók is geweest.

Den Brabander groeit op in een eenvoudig, burgerlijk milieu in Den Haag. Als 17-jarige begint hij als loketbediende bij de PTT en al snel werkt hij zich op. Rond 1929 maakt hij een uitstapje naar Philips in Eindhoven, waar hij hoofd van de postafdeling is: een belangrijke baan, waar hij een hoop mensen moet aansturen. Maar na een jaar keert hij terug naar de posterijen, ditmaal te Amsterdam-Noord. Hij trouwt, sticht een gezin. Alleen zijn pseudoniem herinnert aan dit ene jaar in Brabant.

In zijn eerste tijd bij de PTT begint Den Brabander al met schrijven, aanvankelijk rijmpjes voor het Edammertje, later ook serieuzer werk. Vanaf 1922 verschijnen zijn eerst artikelen in de Provinciale Noordhollandsche Courant en later draagt hij ook een ‘Wekelijkse Rijmelarij’ bij. In 1932 debuteert hij met Vaart, een bundel gedichten die enerzijds romantisch en sentimenteel zijn en anderzijds cynisch en rauw-realistisch. In de bundel zet hij zich af tegen het protestants-christelijke milieu waarin hij opgroeide en kondigt de toekomstige rebel tegen het maatschappelijk fatsoen zich aan.

In 1942 is het gedaan met zijn burgerlijk bestaan. Den Brabander loopt weg van gezin en baan, en begint het leven van een volstrekte bohémien. Hij wordt een ‘poète maudit’ (‘gedoemde dichter’), wiens leven zich voornamelijk afspeelt in kroegen.

Vervaardigd 1964
Techniek Olieverf op doek
Afmetingen 80 x 60 cm

Gerard den Brabander

door Freek van den Berg (1918-2000)

Als ter gelegenheid van Freek van den Bergs 80e verjaardag een flinke monografie over ‘de Nederlandse fauvist’ verschijnt, is een apart hoofdstuk gewijd aan de portretten die Van den Berg van Gerard den Brabander maakte. De twee kennen elkaar al van voor de oorlog, maar verliezen elkaar uit het oog. In de jaren zestig wordt hun kennismaking hernieuwd. Van den Bergh raakt geïntrigeerd door Den Brabanders hardnekkige zucht naar dronkenschap en tracht erachter te komen wat de drijfveer van dit doemdrinken is. In diens Amsterdamse stamcafé Eijlders, waar ze elkaar bijna dagelijks treffen, maakt de schilder talloze schetsen en tekeningen – op bierviltjes en nota’s – van Den Brabander met zijn ‘door kerven gekorven droomkop’, zoals de dichter het zelf zegt. 

In 1964, het jaar waarin dit portret werd gemaakt, exposeert Van den Berg bij Galerie Viruly de eerste van zijn Den Brabander-portretten. De pers is enthousiast. Hans Redeker verbaast zich er in zijn bespreking niet over dat de fauvistisch schilderende Van den Berg Den Brabander tot model kiest: ‘Want Den Brabander is zelf een rasechte fauve, een ontembare, wiens leven en innerlijke littekens als een woest landschap door de jaren op het gezicht staan geschreven, telkens wisselend als ook een landschap.’ En Ben Hulsing schrijft over de veelheid aan portretten: ‘Dat niet in één portret te vangen van landschap van een slopend bohémiensleven is telkens weer driftig on “kaart” gebracht, goedig en bitter, ironisch betogend met het glas in  de hand, ingekeerd. Of in een roes verzonken'.

Veel later zou Pierre H. Dubois in het boek In zijn soort een mooi werk over de portrettenreeks schrijven: ‘In de gedaante van de onberekenbare, aan de drank verslaafde cynische, vaak ruwe en rauwe rebel tegen het maatschappelijk fatsoen, herkent Van den Berg de dichter die in de kroegen de droom najaagt van een wereld, waarin hij bevrijd zou kunnen zijn’.

Vervaardigd ongedateerd
Techniek Olieverf op doek
Afmetingen 100 x 80 cm

Gerard den Brabander - In café Eijlders

door Freek van den Berg (1918-2000)

‘Ik sta er soms zelfs versteld van wat je met kleur allemaal kunt bereiken. Ik had al vroeg kleur op mijn palet,’ aldus Freek van den Berg in 1998. ‘Kleur is mijn leven. Ik zou niet zonder kunnen.’ Kunstcriticus Ed Wingen, die ooit over Van den Berg zei dat hij zich soms als een wilde in de kleur kon gooien, zegt: ‘Hoewel zijn naam verwijst naar het grijs-groene polderland vieren de kleuren op zijn palet feest alsof het dagelijks “Quartorze Juillet” is in zijn atelier.’

Van den Berg wordt ook wel de ‘Kees van Dongen van Kattenburg’ genoemd. Hij ontmoet deze schilder in 1937 en wordt uitgenodigd voor diens expositie bij de Amsterdamse kunsthandel Buffa. In Nederland is het fauvisme dan tamelijk onbekend en Van den Berg is diep onder de indruk van Van Dongens kleurgebruik. Ook de fauvisten André Derain, Maurice De Vlaminck, Henri Matisse, wier werk hij na de oorlog in Parijs ziet, zullen hem inspireren. Maar hoewel zijn werk zeker verwantschap vertoont met het fauvisme, voelt Van den Berg zich ook verbonden met het Franse impressionisme en het Duitse expressionisme.

Van den Berg maakt landschappen, schilderijen van revuemeisjes en andere fraaie vrouwen, én vele portretten van de dichter-bohemien Gerard den Brabander. Omdat er brood op de plank moet, schrijft Van den Berg als kunstcriticus voor Het Vrije Volk, Het Parool en Vrij Nederland, tevens schildert bij begin jaren zestig decors voor Opera Forum. Als hij in 1962 exposeert, schrijft De Telegraaf: ‘Dat de Amsterdammer Freek van den Berg als een Fauve schilder, is dan ook eerder te zien als een gevolg van zijn temperament, zijn levensdrift, zijn lust in en zijn liefde voor het simpele leven dat hij als met verliefde ogen beziet.’
 

Vervaardigd ongedateerd
Techniek Olieverf op doek
Afmetingen 90 x 70 cm

Gerard den Brabander

door Freek van den Berg (1918-2000)

Lucebert schreef ooit: ‘Gerard den Brabander, die achter een bierglas is geboren en steeds even oeroud blijft’ en Gerard Achterberg dichtte: ‘Het beste glas staat in het volgende café, / zegt Gerard den Brabander, en hij drinkt gedwee.’

Dat Den Brabander een drankprobleem had, is geen geheim. Hij dronk niet, hij zoop. Bijna dagelijks was hij te vinden in de cafés, meestal Eijlders, rond het Leidseplein te Amsterdam, waar hij vaak zogenaamde moddermannetjes dronk: jenever met suiker en kaneel. Hier zijn de meeste portretten die schilder Freek van den Berg van hem maakt gesitueerd. Zo ook dit schilderij.

Van den Berg herinnert zich hoe Den Brabander driemaal per dag dronken en weer nuchter werd, dag in dag uit. En dat als hij dronken was, moest de hele wereld het ontgelden. ‘Hij sneerde, maar hij wist zich beschermd door de jeneverwalm: “Ik ben een vervloekte dichter, […] ik zoek de dood, […] ik ben bang”’. Den Brabander was altijd op de vlucht voor zowel het leven als de dood, de poëzie en drank bonden hem aan deze wereld. Schrijver Jan H. de Groot stelde: ‘zijn vlucht in de drank was een vlucht om te ontsnappen aan zijn vergeefs verlangen naar een verloren paradijs, om te ontsnappen uit de moordende ellende van de omringende mensenwereld’.

Hoewel Den Brabander weinig deed om van zijn verslaving af te komen, werd hij diverse maken opgenomen in klinieken. Zo bevond hij zich op 3 februari 1968 in de Jellinekkliniek. In een poging om te zien of de avondkrant al in de bus was gevallen, viel hij van de trap en raakte hij ernstig gewond. Een dag later overleed hij aan zijn verwondingen.

 

Vervaardigd ongedateerd
Techniek Olieverf op doek
Afmetingen 100 x 80 cm

Gerard den Brabander - In café Eijlders

door Freek van den Berg (1918-2000)

Als Gerard den Brabander in 1932 voor zijn werk bij de posterijen naar Amsterdam verhuist, vindt hij daar het echt leven, in de cafés op en rond het Leidseplein. Daar, tussen de kunstenaars voor wie hij dankzij zijn dichtbundels en vertalingen geen onbekende is, hoort hij thuis. Een nieuwe wereld gaat voor hem open, een die in schril contrast staat tot zijn oude leven. Uren brengt hij er door, en langzaam neemt de dichter Den Brabander het over van de ambtenaar Jofriet. Hij publiceert de ene bundel na de andere en krijgt steeds meer erkenning voor zijn poëzie. Met onder meer Ed. Hoornik en Jac. van Hattum – die hij hier leert kennen – vormt hij een groep van zogenaamde ‘realisten’, die aansluitend bij de Nieuwe Zakelijkheid anekdotische poëzie schrijven waarin ze uitdrukking geven aan hun angsten onder de groeiende dreiging van de oorlog.

Na de oorlog, als Den Brabander zijn gezin en baan heeft verlaten, spendeert hij het grootste deel van zijn leven in de cafés, met name in het legendarische café Eijlders, waar hij in 1940 als eerste klant naar binnen was gestapt. Eijlders staat bekend als kunstenaarscafé en in de weekenden vergaapt de bourgeois zicht hier aan de artiesten. Den Brabander was ze maar wat graag ter wille, in ruil voor drankgeld. Voor een knaak rijmt hij op verzoek een gedicht of hij verkoopt voor tientje gesigneerde exemplaren van zijn bundel De holle man, die hij ’s morgens slechts voor een paar cent in de ramsj koopt. Het is ook hier dat Van den Berg in de jaren zestig een paar keer per week, ’s ochtends om half elf afspreken. ‘Ik tekende, Gerard nam zijn eerste versnapering’.

 

Vervaardigd ongedateerd
Techniek Olieverf op doek
Afmetingen 105 x 80 cm

Gerard den Brabander

door Freek van den Berg (1918-2000)

‘En nu terwijl de straat geen einde heeft. / En tussen stenen de muziek herleeft. / Staat onder een lantaarn de oude dichter / en zingt zijn lied… en het wordt licht en lichter.’ Deze regels sieren de grafsteen van Gerard den Brabander, die we hier afgebeeld zien in een kleurige toets door Freek van den Berg, een schilder die lange tijd gefascineerd was door deze dichter en die hem vaak vastlegde.

Gerard den Brabander leefde het laatste deel van zijn leven in een zelfgekozen isolement, bijna als een clochard. In de oorlog was hij weggelopen bij zijn gezin, zijn baan; hij misdroeg zich vaak bij culturele ontvangsten en bijeenkomsten. ‘Hij voelde zich de verschopte, maar hij speelde ook de verschopte en hoe meer die waan en werkelijkheid verwarde raakten, des te slechter ging het met hem,’ aldus Theun de Vries.

Zowel privé als in zijn gedichten zette hij zich het liefst honend af tegen burgerlijkheid en benepenheid. Hij haatte alle orde in de maatschappij en wilde voor alles vrij zijn. Den Brabander vluchtte in de drank en de volmaaktheid van een gedicht. Opmerkelijk genoeg klampte de ‘kleine slaaf van poëzie en taal’, zoals hij zichzelf zag, zich in zijn poëzie wel vast aan een vaste vorm; het sonnet. Hij schreef in ‘Voor de haaien:’

Altijd moe en aan de rand van slaap,
aarz’lend tussen vlucht en familie:
dichters hebben nergens domicilie
want hun weg leidt eenzaam naar de kaap,
waar de wilden zeeën van hun zangen
hen bespringen en met hun verlangen
naar de grondeloze diepte sleuren.

En zo heeft Freek van den Berg hem – ook hier – talloze malen geportretteerd: als de dichter zonder domicilie.