M. Vasalis

(1909-1998)

Weinig dichters kunnen met zulke bescheiden middelen een wereld oproepen als M. Vasalis (ps. van M. Droogleever Fortuyn-Leenmans). Een bus die als een kamer door de nacht rijdt, een idioot in het bad, een langzaam levende steen: beeldende kunst, psychiatrie en filosofie in het bestek van een handvol kwatrijnen.

Vervaardigd 2011
Techniek Olieverf op doek
Afmetingen 40 x 30 cm

M. Vasalis

door Theresa de Bruijne (1969)

Toen M. Vasalis een kleine honderd gedichten had gepubliceerd, verspreid over drie dichtbundels, had ze gezegd wat ze te zeggen had. Meer was voor haar niet beter, en als het goed was, was het goed. Dat talloze lezers smachtten naar meer, vermocht haar niet te vermurwen, en een laatste bundel zou pas postuum verschijnen.

De onverstoorbare eigenzinnigheid straalt van dit portret af, en ook de terughoudendheid: Vasalis wilde alleen op haar woorden beoordeeld worden. Ze gebruikte daarom niet haar eigen naam, en koos een pseudoniem met alleen een voorletter, omdat ze neutraal gelezen wilde worden, niet als ‘vrouwelijke dichter’ of ‘dichtende psychiater’. Ze gaf dan ook nauwelijks interviews.

S. Vestdijk en Menno ter Braak waren vroege bewonderaars, en later is van Rutger Kopland, Hanny Michaelis en Leonard Nolens ook wel geschreven dat ze schatplichtig zijn aan Vasalis.

Ze was iemand die de traditie is trouw gebleven, maar die dankzij haar heldere taalgebruik nooit als ouderwets is gezien. Er is veel gespeculeerd over de vraag waarom ze met dichten ophield. Had het iets te maken met de opkomst van de Vijftigers? Ze stond ambivalent, om niet te zeggen kritisch tegenover de poëzie van de ‘Experimentelen’, maar haar argument is interessant: ze vond hen vaak overdreven dichterlijk in hun neiging om ‘onrijpe, onherkenbare woorden te stamelen’, zo schreef ze in een kritisch artikel over Atonaal. Poëzie had voor haar waarde wanneer herkenbaarheid een rol bleef spelen.

Vervaardigd 2004
Techniek Acryl op doek
Afmetingen 40 x 30 cm

M. Vasalis

door Frits Woudstra (1956)

De poëzie van M. Vasalis heeft iets mystieks, is ook ronduit aards en grimmig. Zo maakten lezers met haar kennis, in 1940:

DE DOOD

De Dood wees mij op kleine, interessante dingen:
dit is een spijker – zei de Dood – en dit een touw.
Ik zie hem aan, een kind. Hij is mijn meester
omdat ik hem bewonder en vertrouw,
de Dood.

Hij wees mij alles: dranken, pillen,
pistolen, gaskraan, steile daken,
een bad, een scheermes, een wit laken
‘zomaar’ – voor als ik eens zou willen
de dood.

En vóór hij ging, gaf hij me nog een klein portretje…
‘Ik weet niet, of je ’t al vergeten was,
het komt misschien nog wel te pas
voor als je eens niet meer zou willen
sterven,
maar wie let je?’
zei de Dood.

Vasalis’ gedichten – die traditioneel van vorm zijn – werden snel zeer populair. Iedereen kende ‘De afsluitdijk’, ‘De idioot in het bad’ – volgens bloemlezer Gerrit Komrij ‘het natste gedicht’ in de Nederlandse literatuur. De eerste regels van ‘Sotto voce’ worden nog altijd gebruikt in rouwteksten: ‘Zoveel soorten van verdriet/ ik noem ze niet./ Maar één, het afstand doen en scheiden./ En niet het snijden doet zo'n pijn,/ maar het afgesneden zijn. In 1982 werd Vasalis bekroond met de P.C. Hooft-prijs.

De natuur en het verstrijken van de tijd komen veel voor in haar gedichten die vaak eindigen met een zelfbespiegeling. Heldere observaties weerspiegelen het verlangen naar zuiverheid. Haar poëzie nodigt uit tot reflectie: ‘Een schijnbaar banaal gegeven leidt tot een flits van inzicht’, aldus Ton Anbeek. In haar Vasalis-biografie laat Maaike Meijer zien dat de gedichten soms woordelijk ontstonden uit dromen die de schrijfster in dagboeken noteerde.

Vervaardigd 2012
Techniek Olieverf op paneel
Afmetingen 100,5 x 70 cm

M. Vasalis

door Theresa de Bruijne (1969)

Nadat ze de dichteres in 2011 had geportretteerd, schilderde Theresa de Bruijne M. Vasalis in 2012 opnieuw. Waarom? ‘Haar werk spreekt me simpelweg aan. Het geeft ruimte voor interpretatie... bespiegeling.... je kunt er je persoonlijke lezing aan ophangen’. Iets dat De Bruijne ook met haar werk probeert te bereiken. Wat waarschijnlijk ook meespeelt in De Bruijnes affiniteit is het feit dat Vasalis psychiater was. Zelf werkte de schilder ook geruime tijd in de psychiatrie: ‘Dit doet iets met je kijk op mensen, emoties, de maatschappij’.

Vasalis had van oudsher een fascinatie voor het vreemde. Het besef dat de vreemdeling evengoed in onszelf zit, stuurde haar richting haar specialisatie: de psychiatrie. In 1934 ging ze als arts-assistent aan de slag in het psychiatrisch ziekenhuis Santpoort en het was hier dat ze begon met het schrijven van gedichten. Dankzij collega-arts en schrijver S. Vestdijk debuteerde ze in 1936 in Groot Nederland met vijf gedichten, waaronder het bekende ‘De idioot in het bad’. Dit gedicht beschrijft hoe een ongelukkige idioot kalmeert en gelukkig wordt in het warme water dat hem als een baarmoeder omsluit. Het verlangen naar terugkeer naar de prenatale staat – dat zich bij Vasalis kan vermengen met doodsverlangen – is een thema dat als een rode draad door haar  poëzie loopt.

In totaal zou Vasalis bij leven maar drie bundels gedichten publiceren: Parken en woestijnen uit 1940, De vogel Phoenix uit 1947 en Vergezichten en gezichten uit 1954. Psychiater bleef ze tot haar zeventigste. Hoezeer Vasalis zich kon verplaatsen in het lijden van geesteszieken blijkt uit veel gedichten uit haar nalatenschap, die zich bevindt in de collectie van het Literatuurmuseum.